Oude kennis

Dat schoonheid vergaat, en liefde vaak ook, is bekend.

Waar je minder over hoort, terwijl het toch ook heel weemoedig stemt, is de vergankelijkheid van kennis. Dingen die vroeger iedereen wist en nu bijna niemand meer. Ik heb het nog niet eens over techniek die uitsterft omdat zij achterhaald is geraakt. Hoe je een stoommachine aan de gang krijgt, dat zal altijd wel te vinden zijn in een oude gebruiksaanwijzing.

Maar andere dingen waren eens zo gewoon dat ze niet, of hoogstens toevallig werden opgeschreven. Je ving ze terloops op, zag ze, begreep ze - en merkte nauwelijks dat ze verloren gingen. Tot, bijvoorbeeld, een kind in 1995 een schilderij ziet van een vrouw met zwarte stippen op haar gezicht. Kijk wat raar, zegt hij. Je kijkt, je ziet een vrouw met een voile; en beseft tegelijk dat bekendheid met het verschijnsel voile uitstervende kennis is.

Een ander mooi voorbeeld stond alweer jaren geleden in deze krant, in een recensie van een boek van Rudy Kousbroek. Daarin herinnerde de schrijver zich hoe zijn vader met twee borstels zijn haar borstelde. De recensent ging daar even op in. Toe maar, twee borstels, schreef hij, inderdaad een zonderlinge vader. Maar dat was natuurlijk onzin. Borstels vormden vroeger altijd een paar, één voor iedere hand.

Het gevoel van futiliteit, de weemoed om al die dingen die weetbaar zijn maar niet geweten worden, doen denken aan het verhaal 'Tranen-thee' in de prachtige bundel Bij Uil thuis van Arnold Lobel.

(Uil heeft trek in een kopje tranenthee, neemt de ketel op schoot en denkt aan heel verdrietige dingen. Aan liedjes die niemand meer kan zingen omdat niemand de woorden meer weet. Aan lepels die achter het fornuis zijn gevallen en die je nooit meer terugvindt. Dikke tranen rollen in de ketel. Uil huilt om potloodjes die te klein zijn geworden om vast te houden, en een prachtige zonsopgang die niemand ziet, omdat iedereen slaapt. Hij huilt om verlies en verspilling - terwijl het allemaal dingen zijn die geen redelijk mens echt erg zou vinden. Als het keteltje vol is houdt Uil op met huilen en gaat lekker thee zetten.)

Geen redelijk mens maakt zich druk over verlies van kennis. Dat is namelijk sentiment. Methoden en technieken, daar heb je wat aan, maar kennis? Zowel de nutteloze als de bruikbare variant staan in bar weinig aanzien. Kijk maar naar de 'Cito-toets' die duizenden lagere-schoolverlatertjes deze week moeten afleggen met het oog op de keus van een middelbare school. Daarbij gaat het om van alles, om vaardigheden, begrip, rekenen ook wel. Kennis komt er bij de Cito-toets nauwelijks aan te pas.

Van de klassieke vraag: wat is verkieslijk, alles weten of alles begrijpen, heeft het tweede antwoord glansrijk gewonnen. En zeg zelf, het was toch ook het beste antwoord? Wat we niet weten zoeken we toch gewoon op in de cd-rom?

Onlangs vond ik in de bibliotheek een boek van een soort dat ik beschouw als een kostelijk tegengif tegen deze kennisvijandige tijd. Het is van Prof. (zo staat het op het voorplat) Willem van der Pluym: Vijf eeuwen binnenhuis en meubels in Nederland. Het gaat over dingen die talloze Nederlanders ooit geweten hebben. Dat je in een zoldering moers- en kinderbalken hebt. Dat dat middenplankje met verticale ribbel in een oude betimmering een 'briefpaneel' heet. En het peerkraalprofiel, in doorsnee afgebeeld: wat ben ik blij dat ik dat nu kan herkennen en benoemen, zoals mijn betovergrootvader dat ongetwijfeld kon.

Een boek vol huiselijke kennis, vol weetbaars dat al bijna is vergeten, dat wilde ik bezitten. Maar natuurlijk blijkt Vijf eeuwen binnenhuis bij navraag al lang niet meer leverbaar. Het is uit de jaren vijftig, haast even oud als ik, en verschenen bij een uitgeverij die niet meer bestaat.

De tweedehands boekwinkel, zo hoopte ik, zou uitkomst bieden. Dat deed hij ook, op een onverwachte manier. Het boek van Van der Pluym is zo veel gevraagd, dat het driehonderd gulden kost, twintig keer zo veel als toen het verscheen. Mijn zuinige gemoed verkeert nog in tweestrijd over de aankoop. Maar een ding is toch zeker: wij zijn met meer dan ik dacht. Alles is nog niet verloren.