Leven in slooppanden van het gemeentelijk grondbedrijf

In Amsterdam wachten zo'n 50.000 mensen op een goedkope huurwoning. Elk jaar worden 15.000 à 20.000 'urgenten' geholpen. Velen wachten tussen de vier en acht jaar op een tweekamerwoning. Tot dat moment verblijven ze in de schemerzone van het tijdelijke onderkomen. Vierde en laatste aflevering in een korte serie: het slooppand.

AMSTERDAM, 14 FEBR. De rioolbuis loopt op kniehoogte door de woonkamer. Toen André Noorda (31) hier net kwam wonen stond dit deel van zijn huis permanent blank. Hij wijst op het trappetje naar de voorkamer. “Tot de tweede tree zat het slijk.” Er was geen pomp om het grondwater weg te malen. Er was ook geen elektriciteit om de pomp te laten draaien.

Sinds twee jaar woont André in de Da Costastraat in Amsterdam-west. Het water is inmiddels teruggedrongen tot de kelder. Hij heeft gas, elektriciteit en een pomp die vanzelf aanslaat als het water stijgt. Een half jaar nog, dan wordt het huis met de rest van de straat gesloopt. De stadsvernieuwing kruipt naderbij. Het volgende blok van de Da Costastraat is al weer in opbouw, de stoep staat vol steigers en cementmolens. Dit stuk straat is het laatste dat tegen de grond gaat.

In de jaren zeventig en tachtig begon Amsterdam met zijn verjonging. Grote delen van de verloederde negentiende-eeuwse gordel rond de binnenstad werden gesloopt en heropgebouwd. Later kwam ook de zogeheten gordel '20/'40 aan de beurt. Dat was niet alleen een architectonische operatie, maar ook een logistieke. Grote aantallen mensen moesten voor maanden hun huis uit en kregen dus andere woonruimte aangeboden - vaak buiten de stad.

De achtergebleven panden werden dichtgespijkerd en bleven soms jaren leeg voordat ze daadwerkelijk werden gesloopt. Krakers zagen dat en bestreden ook deze vorm van leegstand. Ze trokken massaal slooppanden in. Daarmee brachten ze ambtenaren van grondzaken in de Staatsliedenbuurt - hèt kraakbolwerk tot diep in de jaren tachtig - op een lumineus idee: grondzaken ging de panden zelf tijdelijk verhuren. Zo kwam er een eind aan de spookstraten van dichtgetimmerde deuren en ramen en bovendien was zeker dat de panden op tijd leeg zouden zijn als de sloper wilde beginnen. In 1978 werd het tijdelijk verhuren van woonruimte in slooppanden wettelijk geregeld.

Vorig jaar werden tussen de 250 en 300 woningen in Amsterdam gesloopt. Alle stadsdelen in de betreffende huizengordels hanteren lijsten met slooppanden en lijsten met geïnteresseerden. Komt een huis leeg te staan, dan sluit het grondbedrijf een contract af met een tijdelijke huurder. Meestal jonge mensen met een laag inkomen. Elk stadsdeel hanteert zijn eigen regels, sommige eisen een urgentieverklaring van de huurder, maar globaal doen ze het allemaal op dezelfde manier: wonen is gratis als het pand minder dan drie maanden later wordt gesloopt, anders kost het 75 gulden per maand. Exclusief gas en licht.

“Af en toe voel ik me net een makelaar”, zegt Willem Verdooren, ambtenaar op grondzaken in stadsdeel Zeeburg. In zijn buurt komen nog hele blokken aan de beurt voor vernieuwing. Verdooren heeft meestal zo'n 150 à 200 woningen in de verhuur. En dagelijks wordt hij overstelpt met telefoontjes. “Het is take it or leave it. Niet: mogen we eerst het huis zien. Als ik iets heb, moeten ze op kantoor tekenen.”

André woonde al op de Da Costastraat voordat er sprake was van sloop. Hij kwam uit een huis in de Indische Buurt (“Gewoon, onderhuur”) en kon onder de kamer van een vriend wonen. Alleen de voorkamer was bruikbaar, beneden woonde het grondwater en boven sliep zijn vriend. Veel plezier heeft André er die eerste tijd niet aan beleefd. Zonder gas en elektra was de kamer ijzig koud. “Als ik ' s ochtends wakker werd, was mijn kussen helemaal klam. Ik had altijd spierpijn als ik opstond.”

Nu snort de kachel op een tafeltje boven de rioolbuis. André heeft zelf de leidingen aangelegd en hij had te weinig buizen om de kachel op de grond te kunnen zetten. In de kamer hangt een losse douchekop, de eerste stap naar een complete badkamer. Helemaal in het begin waste hij zich onder een tuinslang in de tuin. Dat was de eerste zomer. In de winter douchte hij bij de buren, een kraakpand. Maar sinds de Nederlandse krakers daar weg zijn, is het een zooitje. Er wonen dertien verschillende nationaliteiten en ze maken geen van allen schoon. André wast zich nu in het badhuis verderop.

Toen zijn vriend wegging, eind '93, belde André het grondbedrijf van Oud-West en vroeg of hij er mocht wonen. Nee, zeiden ze eerst, want we gaan over een paar maanden slopen, er zijn helemaal geen voorzieningen en die willen we er voor die korte tijd ook niet aanleggen. Later werd de sloop uitgesteld en toen kreeg André alsnog een huurovereenkomst.

'Tot 31 augustus 1995, met stilzwijgende verlenging', zegt het contract. Daarna wordt het moeilijk, aldus een ambtenaar van grondzaken. Het einde van de stadsvernieuwing is in zicht. Slopen gebeurt al haast niet meer. Stadsdeel De Pijp heeft alleen nog maar een lijst met geïnteresseerden. In de bakermat van de slooppandenverhuur, de Staatsliedenbuurt, staan welgeteld nog zes pandjes te huur. Sloop voor nieuwbouw is uit, de oude panden worden tegenwoordig zoveel mogelijk intact gelaten en dan van binnen grondig gerenoveerd. 'Behoud en herstel' heet deze vorm van stadschirurgie.

Het wordt misschien tijd dat André de overstap naar de reguliere woningmarkt maakt. Hij had allang een urgentieverklaring kunnen aanvragen waarmee hij te zijner tijd recht krijgt op een goedkope huurwoning via de stedelijke woningdienst. Maar dat zijn toch allemaal huizen van 350, 400 gulden. “Ik blijf liever op het niveau van 75 gulden. Dan hou ik nog wat over.”