Zes jaar geleden vond het denkend deel der natie televisie nogal ordinair; 'Ik voel me geen culturele dijkbewaker in omroepland'

Annemieke Gerritsma (Haarlem, 'lang geleden'), is directeur van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties. Sinds 1988 verstrekt dit fonds subsidie voor de ontwikkeling en produktie van culturele televisie- en radioprodukties van 'hoogwaardig artistiek gehalte'. De Mediawet schrijft voor dat ten minste één zestiende van de STER-inkomsten doorvloeit naar het Stimuleringsfonds, wat neerkomt op 28 miljoen gulden per jaar:

“Ik kwam uit de advocatuur en de rechterlijke macht en wilde een andere draai aan mijn leven geven. Het Stimuleringsfonds bood daartoe een interessante mogelijkheid. Men zocht een directeur die thuis was in de kunstwereld, die gewend was om enigszins objectief te oordelen en die niet uit de mediawereld kwam.

De overgang was groot. Ik was eraan gewend om kwesties heel zakelijk te benaderen. Maar bij het maken van televisieprodukties bleken een heleboel emoties mee te spelen die ik niet meteen verwacht had. Evenmin had ik gerekend op de afweer van Hilversum. Men was daar niet gewend om van buitenaf beoordeeld te worden, zoals men dat wèl kent in alle andere gesubsidieerde kunstsectoren. Iedere toneelgroep en ieder orkest weet dat zij om de zoveel jaar verantwoording moeten afleggen van de manier waarop ze in artistieke zin hun geld hebben besteed. In Hilversum bestond die cultuur niet. Men dacht: het zijn eigenlijk onze centen en ieder project dat we bij het fonds indienen is per definitie goed.

Een groot aantal programmamakers - documentairemakers en dramaschrijvers - beschouwt het fonds als een grote steun in de rug. Maar op beleidsniveau worden we nog steeds als hinderlijk ervaren, al heeft men gaandeweg met ons leren leven. Men legt zich veelal bij onze beslissingen neer. Dat is bij andere fondsen wel anders. Vorig jaar hebben we 232 beslissingen genomen en daartegen is slechts in 16 gevallen een bezwaarprocedure aangespannen.

In 1994 hebben we 31 miljoen gulden toegekend. Dat zal resulteren in 105 uur televisie en 200 uur radio. Die programma's zouden zonder ons met een veel geringer budget of helemaal niet gemaakt zijn.

In de wet staat dat ons budget ten minste één zestiende van de STER-inkomsten bedraagt. Ik hoor al jaren niet anders dan dat de STER-inkomsten zullen inzakken, maar dat is tot nu toe vrijwel niet gebeurd. Los daarvan heeft de minister c.q. de staatssecretaris op grond van de wet de bevoegdheid om méér geld beschikbaar te stellen. Van de voormalige minister d'Ancona hadden we een garantie van ten minste 28 miljoen. Het is nog onduidelijk hoe dat beleid in de toekomst zal uitpakken.

Godzijdank hoeven wij niet te zeggen wat cultuur is. In het Mediabesluit staat precies omschreven wat een cultureel programma is. Pas waar het gaat om de eis van een hoogwaardig artistiek gehalte begeven wij ons op subjectief terrein. Daarover winnen we dan advies in bij deskundigen. Meestal komen de adviescommissies tot een eensluidende mening; zelden heerst er verdeeldheid. Je kunt net zo goed en net zo slecht een oordeel vellen over culturele produkten als een beslissing nemen over een juridisch conflict. Je dient in ieder geval zoveel mogelijk je eigen voorkeuren uit te schakelen. Mensen die niet getraind zijn in de juridische denkwereld, plegen te denken dat zoiets niet bestaat.

Ik voel me geen culturele dijkbewaker in het omroeplandschap, maar ik vind het wel een grote plicht van het fonds om de samenwerking tussen de kunstwereld en de omroepwereld te stimuleren. Zes jaar geleden vond het denkend deel der natie televisie nogal ordinair. Maar ten gevolge van al die discussies die het fonds in gang heeft gezet, is er een stroming binnen de kunstwereld ontstaan die zich met televisie wil bemoeien. Op die manier krijg je kwalitatief interessante inpulsen. Je ziet het bijvoorbeeld aan de samenwerking tussen de Trust en de KRO. En dankzij onze bemiddeling kan iedereen in het hele land bijna elke maand een registratie van een Nederlandse opera zien. Da's leuk.

Op de Nederlandse televisie kun je tegenwoordig een auto winnen als je in staat bent de kleur te noemen van een witte aansteker. Het is de taak van de publieke omroep om dat soort programma's níet te maken. Maar het is de vraag of het hart van Hilversum ligt bij de programma-categorieën waar wij ons mee bemoeien.

Het massa-publiek dat vroeger naar de twee of drie bestaande netten keek, wordt tegenwoordig heel goed bediend door de commercie. De publieke omroep zal zich moeten gaan richten op allerlei kleinere deel-publieken. Dat zijn nog altijd grote groepen van 300.000 tot 400.000 kijkers. Maar negentiende-eeuwse cultuurminnaars bestaan niet meer. Het is niet meer zo dat men èn Eco leest èn van Bach houdt èn naar Toneelgroep Amsterdam gaat. Iedereen maakt tegenwoordig zijn eigen cultuur. Je hebt mensen die Eco lezen en voor de rest housen.

Mijn fonds dient de culturele programmering, en de kwaliteit daarvan, binnen de publieke omroep te stimuleren. Wij houden ons niet bezig met het debat over de inrichting van het bestel. Daar hebben we dus geen mening over. Maar mèt Marcel van Dam vind ik het heel zorgelijk dat zowel de politiek als de samenleving nogal onverschillig staat tegenover het omroepbestel. Het denken over de omroep kampt met vermoeidheid. Dat kan te maken hebben met de aloude minachting voor televisie als massamedium. Maar daarbij komt dat de omroepen met hun gezwalk van de laatste tijd veel goodwill hebben verloren. Dat merk ik bijvoorbeeld in gesprekken met Kamerleden.

Om kijkers te binden denken omroepen erg in series. Programmamakers die op een bepaald moment maar één verhaal te vertellen hebben, vallen dan buiten de boot. Persoonlijk hou ik niet van series omdat ik altijd vergeet wanneer ze uitgezonden worden. Volgende maand besteden we op een conferentie aandacht aan televisie-drama. Een mooi voorbeeld daarvan vind ik Naarden-Vesting, het eerste single play van Annette Apon. Mooi televisie-drama. Te klein voor film. Een verhaal waarin je je goed kan inleven. Met een probleemstelling die betekenis heeft. Het gaat over een vrouw die opnieuw een carrière probeert op te bouwen, nadat ze een tijd voor haar gezin heeft gezorgd. Dat is een universeel probleem. Dan denk ik: daar zouden we er iedere week één van moeten hebben.''