Wrikken aan een dakkapel

DIRK J. DE VRIES: Bouwen in de late middeleeuwen. Stedelijke architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht

512 blz., geïll., Matrijs 1994, ƒ 49,95

Tot degenen die zich bezighouden met de geschiedenis van de bouwkunst worden de specialisten gerekend die zichzelf bouwhistorici noemen. Zij zijn meestal opgeleid in technische-bouwkundige vakken en hebben zich toegelegd op de bestudering van historische bouwtechnieken en wat daarmee samenhangt. Vandaar dat men hen vrijwel altijd aantreft tussen kapconstructies boven de gewelven, in oude kelders of in andere lugubere ruimtes waar gewone mensen liever niet komen. Kunsthistorici daarentegen houden zich liever op aan de goede kant van het behang. Dit tot ergernis van de bouwhistoricus die nog met het stof van de kapgebinten aan de werkkleding de salon binnenstormt met de mededeling dat de bouwgeschiedenis geheel herzien kan worden op grond van de vondst van een middeleeuws merkteken op de gordingen.

Dirk de Vries is niet alleen bouwhistoricus, maar ook kunsthistoricus en dus bij uitstek geschikt om aan de hierboven geschetste situatie te ontkomen. Zijn proefschrift draagt niettemin nog sporen van de verschillen tussen die twee werelden. Je merkt dat zijn hart vooral uitgaat naar de geschiedenis van het bouwvak.

Wat zoekt iemand nu op die stoffige zolders en in die vochtige kruipruimtes? De kans dat daar sporen uit de bouwtijd zijn achtergebleven is veel groter dan aan de gevels of in de binnenruimtes, omdat deze voortdurend aan verandering onderhevig zijn geweest. Aan de constructies achter de gevels is soms sinds de middeleeuwen niets meer veranderd. In de kapruimte vind je nog eeuwenoude balken waaruit allerlei gegevens over de bouwgeschiedenis zijn af te leiden. Je stijgt via een stenen spiltrap naar de voet van de bouwmuren en daar stap je over op een wankel laddertje, dat op een luik uitkomt en dan gaat het verder over loopbruggen en borstweringen om uiteindelijk te belanden in het woud van oude balken dat boven de bolle gewelfvelden staat. Het is er muf en je beseft dat er sinds het vertrek van de timmerlieden bijna nooit meer een mens is geweest. Je wrikt het luik van een dakkapel open en het eerste dat je ziet zijn de weilanden ver buiten de stad, zo hoog ben je gestegen.

Golfpan

Ik denk dat de bouwhistoricus een romanticus is die zijn passie verbergt achter de façade van de wetenschap. Het ontdekken van vreemde tekens op middeleeuwse balken geeft dezelfde sensatie als het ontdekken van een oud handschrift. De combinatie van beide is nog sensationeler. En dat probeert Dirk de Vries al dertig jaar, zo deelt hij ons mee. Op die manier vond hij een verklaring voor de vrij plotselinge invoer van natuursteen uit Namen rond 1489 in Deventer en Zwolle. In deze steden importeerde men vanouds zandsteen uit de groeven van het nabijgelegen Bentheim. De verklaring voor deze verandering in natuursteengebruik is in Zwolse archiefstukken te vinden: de graaf van Bentheim verhoogde zijn toltarieven zodanig dat import uit Namen goedkoper werd. De Naamse steen die men op Overijsselse gebouwen aantreft, is dus beter te dateren en men weet nu dat die niet is toegepast uit artistieke motieven, maar uit economische.

Het boek begint met de handel in bouwmaterialen. Het is bekend dat in ons land geen natuursteen voorkomt, met uitzondering dan van de mergel in Limburg, maar het blijkt dat ook eikehout hier schaars was en op grote schaal werd geïmporteerd. Al die bouwmaterialen werden via rivieren getransporteerd, omdat wegtransport nauwelijks mogelijk was.

Dank zij de bewaard gebleven toladministraties kan de handel in bouwmaterialen gedeeltelijk worden gereconstrueerd. Hout werd in vlotten getransporteerd en op de houtmarkten van bepaalde steden verhandeld. Het sluiten van de contracten werd bezegeld met het herhaaldelijk heffen van glazen wijn of bier. De handel in hout was internationaal. Zo leverde tussen 1480 en 1485 een houthandelaar uit Wessel eikehout uit de bossen van Munsterland aan de Utrechtse Domkerk. Dit hout kwam via Wesel ook terecht op de houtmarkt van Dordrecht en vond vandaar zijn weg naar Vlaanderen. De grote boscomplexen in dat graafschap waren al in de twaalfde eeuw gerooid.

Niet bekend

Beroepstrots

Na de bouwmaterialen komen de gebruiken in de bouwwereld ter sprake, zoals handmerken, meestertekens en andere inscripties. In kapconstructies vind je niet alleen telmerken die ertoe dienden de onderdelen in de juiste combinaties te verwerken, maar ook timmermansmerken. Het was tot nu toe gangbaar deze laatste soort merken op te vatten als uitingen van beroepstrots. De Vries toont op zeer overtuigende wijze aan dat zulke timmermansmerken geen ander doel dienden dan de merken op andere goederen of de brandmerken op vee, namelijk dat van eigendomsbewijs. In de gildebrief uit 1520 van de timmerlieden te Kampen werd voor de kuipers bepaald dat zij vaten moesten maken “op hoer rechte mate ende daer sal elck sijn merck op setten, opdat men weten mach wie dat werck ghemaect hefft”. Vreemd genoeg kon het steenhouwersmerk soms wel om redenen van beroepstrots zijn aangebracht. Dat blijkt uit het feit dat dergelijke tekens ook op wapenschilden voorkomen.

Het boek van Dirk de Vries bevat talloze verwijzingen naar situaties in andere steden, ook buiten Nederland, maar het uitgangspunt is steeds Zwolle en dan speciaal het stadsarchief dat hij voor de periode 1400-1566 'integraal verwerkt' heeft. Uit dit rijke archief kan de complete bouwwereld worden gereconstrueerd. Het einde is soms letterlijk zoek, want wanneer de auteur de schenking van gebrandschilderde kerkramen ter sprake brengt, zegt hij dat je een geheel netwerk van relaties tussen machtige personen en instellingen zou kunnen reconstrueren, maar dat een dergelijk werk “buiten het kader van ons onderzoek valt”.

Wat er gelukkig wel binnenviel is de navolging van architectonische voorbeelden. Toen men in Deventer met de bouw van de Noordenbergtoren begon, gingen de bouwmeester Henrick van der Grunde en de timmermeester Andries van Kampen in 1491 naar Wijk bij Duurstede 'om den toern te besiene' (om de kasteeltoren te bekijken). Voor de architectuurgeschiedenis zijn dergelijke archiefvondsten van groot belang, omdat daarmee stilistische overeenkomsten aan het licht gebracht kunnen worden.

De ontwikkeling van het middeleeuwse huis is een onuitputtelijk onderwerp, waaraan dit boek ook een steentje bijdraagt, maar het is niet voor iedereen gemakkelijk te volgen. Je moet je iets kunnen voorstellen bij een mededeling als: “in het zaalgebouw zijn de windschoren van de onderste jukken alleen boven gepend”. Zijn expedities in de krochten hebben wel nieuwe bouwgeschiedenissen van enige belangrijke huizen opgeleverd, zoals die van de Proosdij in Deventer uit 1130, de Hof van Ittersum in Zwolle uit 1383, het bekende Huis Zoudenbalch in Utrecht uit 1468 en het Huis Loenersloot in dezelfde stad uit 1517.

Het bouwhistorisch onderzoek is de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen door de dendrochronologie, een dateringsmethode van hout op grond van het vergelijken van jaarringen. Zo kon de dwarse vleugel van het Huis Loenersloot tamelijk exact worden gedateerd op grond van een eikehouten kozijn in de achtergevel. Het hout bleek in 1520 gekapt te zijn. Op die manier heeft de bouwhistoricus een einde gemaakt aan de nogal vage, op stilistische kenmerken gebaseerde dateringen, waartoe de kunsthistoricus zijn toevlucht moest nemen.

Kantelen

Belangrijke middeleeuwse stenen huizen waren vaak voorzien van weergangen, kantelen en hoektorentjes. Dergelijke onderdelen waren ooit verdedigingsmiddel, maar binnen de stadsmuren zijn ze als decoratieve elementen blijven voortbestaan. Je zou verwachten dat het aantal kantelen en weergangen op de stadshuizen verminderde naarmate de steden beter versterkt werden. Dat blijkt niet het geval, want rond 1500 neemt de toepassing van dergelijke elementen juist een hoge vlucht. Men ging de meest spectaculaire schijngevels bouwen met kantelen die zo dun waren dat ze met ijzeren stangen aan de kap verbonden moesten worden. Kennelijk hadden sommige opdrachtgevers, ook al behoorden ze tot de magistraat, behoefte aan zulke symbolen van macht en adellijk aanzien, alsof ze uit een oud geslacht stamden.

Dit vertoon van adeldom sterft niet uit met de middeleeuwen. Ook in de zeventiende eeuw bouwde men nog torens naar middeleeuws model aan onverdedigbare landhuizen. Een aardig voorbeeld is het omstreeks 1637 gebouwde Huis Linschoten dat wel twee indrukwekkende hoektorens heeft, maar ook grote, gemakkelijk open te breken vensters op de begane grond. In de zeventiende eeuw speelde nog iets anders mee, namelijk dat de Ridderschap alleen openstond voor bezitters van een riddermatig goed, dat wil zeggen een verdedigbaar kasteel. En aangezien de ridderschap een belangrijk bestuurscollege in de gewestelijke Statenvergaderingen van de Republiek der Verenigde Nederlanden was, hadden sommigen belang bij het bezit van een kasteelachtige woning, liefst met slotgracht. Zo iemand was Zweder van Haersolte, die in 1617 een havezathe bij Zwolle liet bouwen en vervolgens toegang kreeg tot de Ridderschap van Salland.

Torens zijn alleen al door hun formaat tekens van macht en aanzien. Dat wordt bevestigd door wat Geert Grote over de Utrechtse Domtoren (1382) schreef, namelijk dat die een misplaatst teken van wereldlijke ijdelheid was. Desondanks is de toren wijd en zijd nagevolgd in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De torens van Amersfoort (Onze Lieve Vrouwe), Groningen (Martini) en Maastricht (Sint Jan) zijn de bekendste. Zulke verwijzingen naar de zetel van de hoogste kerkvorst in de Nederlanden, de bisschop van Utrecht, die tevens landsheer van het Sticht was, waren altijd symbolisch geladen, vaak als manifest van verbondenheid.

Dit thema (macht en aanzien) heeft weinig te maken met de geschiedenis van het bouwvak. Dat is het gevolg van de dubbele scholing van Dirk de Vries. Maar het bouwvak, zo lijkt het, trekt hem meer dan de iconologie van de architectuur.