Op vreemde paden

Vaak denk ik aan de fascinerende belevenis van Christopher Lloyd en Romke van de Kaa: hoe zij wandelend in het bos een donkerbladig soort boterbloem ondekten, hoe ze er mee naar de bevoegde autoriteiten gingen, en hoe de plant Ranunculus ficaria 'Brazen Hussy' werd gedoopt; onder die naam geniet zij nu een grote populariteit als tuinplant.

Als het mij was overkomen was ik doorgelopen, waarschijnlijk na er op getrapt te hebben. Hoeveel mensen mij ook proberen te overtuigen dat het speenkruid in de tuinhiërarchie een rechtmatige plaats heeft, ik wil er niet aan. Vertegenwoordigers van de boterbloemachtigen, speciaal de geelgekleurde, staan bij mij op de lijst van planten die ik niet zou missen als ze geruisloos van de aardbodem werden verwijderd. Het stapt ongevraagd bij je in bed en wil er niet meer uit. Dat is wat zich in mijn cyclamen-, sneeuwklokjes- en crocusbed afspeelt: van de ene dag op de andere staat het vol met speenkruid.

Het Eerste Onkruid van het Jaar en onmogelijk er vanaf te komen: het groeit middenin de cyclamenplant; als je probeert het er uit te trekken heeft dat tot gevolg dat alles er omheen - kleine cyclamenzaailingen en grote volwassen knollen, nieuw uitgezaaide sneeuwklokjes en kostbare peluwtjes van mollig mos - uiteen wordt gereten als de straten in Kobe. Je tracht te verhinderen dat de omgeving meekomt, je trekt aan het speenkruid, en het komt er ten slotte ook uit, maar stiekem nare kleine knolletjes achterlatend, die de volgende ochtend alweer vrolijk beginnen uit te lopen.

Het klinkt als een van de sagen van David Attenborough over het overleven van planten; ik kan hem zonder moeite zien staan, eenzaam torenend in zijn safaripak op een onafzienbare vlakte van speenkruid bij ondergaande zon, bezig te verklaren hoe ingenieus dit nederige plantje het wurgen van zijn buren en het voortbestaan van de soort heeft uitgedokterd. Zo verwijderde een mijner vriendinnen met veel moeite en inspanning in haar nieuwe tuin een weelderig tapijt van zevenblad. Het resultaat was een mooi bed van verse donkere aarde, vrij van onkruid - maar voor zij het wist, ja binnen enkele ogenblikken, was het bedekt met speenkruid. Ten slotte heeft zij er haar voorjaarskleurenschema maar bij aangepast, alles er omheen geel, alles geel, en het erbij gelaten.

Dat is de ene soort tuinier. De andere, waar ik toe behoor, vat met furie in het hart een onblusbare haat op tegen de boterbloem in al haar verschijningen, met inbegrip van de schuldeloze trollius (Trollius europaeus) en de voorjaars-adonis (Adonis vernalis). En ook geen genade voor de Ranunculus ficaria 'Brazen Hussy', al heb ik er nooit een gezien.

Gelukkig eisen ook andere gebeurtenissen de aandacht op, zoals de onstuitbare ondergang van onze sering. Het gaat hier om een zeer antiek exemplaar, groeiend in de schaduw van de noordmuur, waar het milieu zo ongastvrij is dat het, vermoedelijk over een lang tijdsverloop, haar toevlucht heeft doen zoeken over de muur, in de tuin van de buren. Daar is het blijkbaar uit seringenstandpunt gezien beter toeven, want dankzij de zorg die ik aan haar worteleinde besteed, bloeit zij daar ieder jaar uitbundig, zoals je goed kunt zien wanneer je bovenop de muur gaat staan.

Deze sering heeft vier romantische kurketrekkerstammen die schuin langs de muur omhoog gaan, en door de kat-populatie in de verre omtrek gebruikt worden om van de ene tuin in de andere te komen; het was een van deze vier die het noodsignaal gaf door neer te storten - bovenop de Iris foetidissima, kennelijk een robuuste plant, want zij heeft er niet zichtbaar iets aan overgehouden. Nog twee andere stammen zijn licht en broos als balsahout en het kan alleen maar een kwestie van tijd zijn voor een of andere kat plotseling tussen de irissen belandt. Ik vrees dat de hele boom zal moeten verdwijnen, en dat waarschijnlijk al veel eerder had moeten doen. Deze operatie zal ons wat meer licht opleveren, maar het is het enige gewas, daar bij die muur, dat meer dan een meter hoog is - alle andere planten daar zijn van het gewaardeerde 'droge schaduw'-type (Geranium macrorhizum, Euphorbia amygdaloides var. robbiae, Tellima grandiflora, Galium odoratum), geen van welke een zogenaamd 'verticaal accent' aanbrengt.

Als remplaçant heb ik het volgende bedacht: je maakt een grote bolvormige mal van gaas en ijzerdraad en laat die begroeien door klimop, naar het voorbeeld van de buxusbol, maar aangezien geen buxus in die kurken duisternis ooit zou gedijen zal klimop uitkomst bieden, want deze plant is zelfs op die plek onstuitbaar. Kundig snoeien zal snel een fraaie groene bal doen ontstaan, en daar hoeft het niet bij te blijven.

En er is nog een andere mogelijkheid. Dat is de Noord-Amerikaanse esdoorn waar ik over las in een artikel van Roy Lancaster (The Garden, Nov. 94), Acer circinatum 'Monroe'. Roy Lancaster is vermoedelijk de meest geestdriftige tuinschrijver op het ogenblik, en zijn enthousiasme is aanstekelijk. “Ik weet weinig andere bomen of grote heesters die ik van ganser harte zou aanbevelen voor droge schaduw, that most exasperating of situations”, schrijft hij. De aanlokkelijkheden van deze plant bestaan uit haar prachtig ingesneden en gelobde bladeren die in het najaar vuurrood worden, haar bloei in april en haar weerstand tegen droogte. Weliswaar verwijst de Canadese naam, 'bois du diable', naar de 'lange takken, op de grond liggend als lasso's', waar de woudlopers over struikelden als ze met hun kano op hun rug over het pad langs de stroomversnelling strompelden, maar er worden in onze tuin zelden woudlopers gesignaleerd.

Ernstiger is haar reputatie meeldauw op te lopen, vooral na natte zomers. Lancaster stapt daar nogal luchthartig overheen. Esveld is de enige firma in Nederland die deze cultivar in voorraad heeft en van hen kwam de bevestiging dat zij wel degelijk vatbaar is voor meeldauw, hetgeen haar in de zomer haar blad doet verliezen, en daarmee haar herfstkleuren. Wat ik daarom ook zal proberen is de beter bekende Acer japonicum 'Aconitifolium', die er op lijkt en wat groter wordt, maar niet vatbaar is voor meeldauw. Het is boeiend op welke vreemde paden het bezit van droge schaduw ons verzeild kunnen doen raken; ik ben nooit zo dol op esdoorn geweest. Aan de andere kant, vroeger had ik niets tegen boterbloemen.