Labour en de bom

PETER HENNESY: Never Again. Britain 1945-1951

544 blz., geïll., Jonathan Cape 1994, ƒ 65,60

BRIAN CATHCART: Test of Greatness, Britain's struggle for the Atom Bomb

301 blz., geïll., John Murray 1994, ƒ 65,60

In de eerste naoorlogse jaren, 1945 en 1946, was Engeland, gezien van het vasteland, dat zich moeizaam trachtte op te richten na de Tweede Wereldoorlog, een land om te benijden. Attlee en Bevin waren de voorbeelden voor de in 1946 opgerichte Partij van de Arbeid, die hier de grote doorbraak moest bewerkstelligen. Van die doorbraak-gedachte (die de vooroorlogse politieke verhoudingen een beslissende wending naar links wilde geven) kwam bij de eerste Nederlandse naoorlogse verkiezingen weinig terecht. En het Britse voorbeeld zou in de volgende jaren alleen maar onvoorstelbaar afbladderen. In 1951 nam Attlee's voorganger, Winston Churchill, het roer weer over. Het einde van de Labour-heilstaat was bereikt. Daar zouden verschillende Labourregeringen in de jaren zestig en zeventig weinig meer aan veranderen. De echte reactie kwam met de neoconservatieve golf van mevrouw Thatcher.

De socialistische idealen van Labour in die eerste naoorlogse jaren bleken op gespannen voet te staan met de in Londen levende perceptie, dat Engeland ook na 1945 nog steeds een supermacht was. Toch moet worden vastgesteld dat Attlee en de zijnen heel wat hebben bereikt op het terrein waarop zij waren geconcentreerd: dat van de sociale wetgeving in ruime zin. Zoveel wordt duidelijk uit de beschrijving van de Britse historicus Peter Hennesy, die zich ten doel heeft gesteld de geschiedschrijving van het Verenigd Koninkrijk tussen de Tweede Wereldoorlog en het einde van deze eeuw vast te leggen.

Dat daarbij de notie van het verleden, het irrealisme van vergane glorie, op de loer lag is vooral van belang voor het vervolg. Groot-Brittannië kon de moderne welvaartsstaat slechts met vallen en opstaan invoeren. Maar de kiem lag wel degelijk in die naoorlogse jaren, waarbij Hennesy vaststelt dat mannen als Attlee en Bevin evenzeer 'Victorians' waren als Winston Churchill zelf. De grootheidswaan had bijna allen in de greep, een nuchterling als Attlee niet uitgezonderd.

Glorieus verleden

Niets heeft die waan beter tot uitdrukking gebracht dan het streven naar een eigen atoombom. De kiem voor dat streven was gelegd door die romantische vakbondsleider en imperialist, minister Ernest Bevin van buitenlandse zaken. Bekommerd zag hij hoe de 'Dominions' hun eigen gang gingen. Niet zozeer de vrees voor de Sovjet-Unie en de doorzettende Koude Oorlog brachten hem tot de overtuiging dat het Verenigd Koninkrijk een eigen bom moest hebben als wel zijn vaste wil dat zijn opvolgers niet zouden worden vernederd door de Amerikanen, zoals hem overkwam in zijn beleving van het diplomatiek verkeer met Washington. “We moeten dat ding, die bom hebben, wat het ook mag kosten.”

Bevin zou niet lang genoeg leven om de eerste ontploffing van een Britse A-bom mee te maken, zoals onberispelijk beschreven in Test of Greatness van de journalist Brian Cathcart. Het is een voorbeeld van een te laat gelopen race. De Sovjet-Unie beschikte al lang over de geheimen om eigen atoom- en later waterstofbommen te vervaardigen, mede door de inspanningen van Britse overlopers. Niet voor niets sluit Cathcart zijn boek praktisch af met die ene, vuile, atoomproef. Een minutieus verslag van een worsteling van veel trial and error, al weer gebaseerd op achterhaalde noties uit een glorieus verleden en het misplaatste denken, dat de Tweede Wereldoorlog Londen zonder meer recht gaf op een bijzondere plaats in de harten in Washington. De illusie van die 'speciale band' zou nog eens herleven onder de regimes van mevrouw Thatcher en de Amerikaanse president Ronald Reagan in de jaren tachtig. Maar Thatcher heeft toch minder het begrip 'Greatness' gekoesterd dan mannen als Bevin en zelfs Keynes veertig jaar daarvoor.

Hennesy geeft Labour het volle pond voor de aanzet van een opbouw van de welvaartsstaat. Daarbij stond het idee voorop dat de vooroorlogse crisis met zijn massale werkloosheid nooit meer, 'never again', mocht worden herhaald. Wellicht is Sir William Beveridge, die voor de liberalen achtereenvolgens in het Lagerhuis en in het Hogerhuis zat, achteraf de meest vergeten figuur uit dit tijdperk. Het was zijn door de regering 'bestelde' rapport uit 1942, dat een oproep behelsde voor een betere wereld. Vijf reuzen moesten worden verslagen: gebrek, ziekte, onwetendheid, totale verwaarlozing en ledigheid. In de tijd zelf werd Beveridge allerminst onderschat, getuige zijn eredoctoraat in 1946 aan de Rotterdamse Economische Hogeschool. Prof. Tinbergen zal daaraan niet vreemd zijn geweest.

Nationalisaties

Aan de door Beveridge opgelegde taken zette Labour zich onder leiding van Clement Attlee, de Britse Drees sr als het op soberheid aankwam, in de zomer van 1945. Model hebben gestaan de Nationale Gezondheidsdienst, de herziening van het onderwijsstelsel en de nationalisatie van grote industrieën, met de kolenmijnen en het transportstelsel voorop. Daarbij zou zich vooral wreken dat Labour wel een visionaire blik had op de 'commanding heights' van de Britse industriestaat, maar geen notie over de wijze waarop een nationalisatie werkelijk tot stand zou moeten komen. Voeg daarbij de economische malaise die vanaf 1947 toesloeg, gevolgd door een extreem koude winter, en het beeld van de benarde Labourvesting is een voldongen feit. De staatslieden van toen waren ondanks alles te veel geneigd terug te kijken in plaats van vooruit. Dat neemt niet weg dat het Engeland van 1951 vergeleken bij twintig jaar tevoren een veel vriendelijker en aangenamer samenleving was.

Peter Hennesy heeft zichzelf opgelegd een beeld te scheppen van het Britse leven van zowel de hogere politiek als het dagelijks leven, van de vergaderzaal van Downing Street 10 tot de keuken en de 'queue'. De eerste naoorlogse sportzomer met helden als Denis Compton en de naoorlogse cultuur komen ruimschoots aan bod. In een briljante mengvorm van essay en reportage in retrospectie heeft Hennesy zich niet beperkt tot de kleine letters van archiefstukken en memoires. Hij laat ook volop waarnemers van toen, vooral ambtenaren die bij het beleid waren betrokken, aan het woord.

Zijn nieuwsgierigheid is geslepen in de journalistiek die hij met succes heeft beoefend bij kranten als The Times en The Financial Times. Aan die combinatie van twee ambachten, journalistiek en geschiedschrijving, en aan zijn nooit aflatende nieuwsgierigheid hebben we een veelomvattend beeld te danken van het 'Never again'-land van de eerste naoorlogse Labourregeringen in het Britse koninkrijk.