Het lege nest en de werkelijkheid

Soms merk je bij jezelf bepaalde gedragingen, die zich aan iedere redelijkheid onttrekken. Ter geruststelling kun je op anderen gaan letten om te zien of zich bij hen misschien iets dergelijks voordoet. Het is prettig als dat zo blijkt te zijn. Interessant wordt het als je ontdekt dat er ook theorieën bestaan om het verschijnsel te verklaren en echt leuk wordt het als er zelfs empirisch onderzoek naar blijkt te zijn gedaan.

Toen mijn dochter in de hogere klassen van het voortgezet onderwijs zat, kwam ik vrijdag- en zaterdagnacht slaap tekort. Zij ging dan uit en vond het een te grote beknotting van haar vrijheid om af te spreken hoe laat zij thuis zou zijn. Zelfs op een vroeg ochtenduur wilde zij zich niet vastleggen. Ik moest mij nergens druk over maken, ze kon heus wel voor zichzelf zorgen en ik moest vooral gewoon gaan slapen. Maar dat lukte niet, ik bleef luisterend wakker liggen. Ik heb wel eens beschreven hoe dat voelde. Hoe er tussen mijn oor en het sleutelgat van de voordeur een onzichtbaar snoer hing, waarlangs mijn aandacht voortdurend heen en weer gleed. Totdat het heerlijke geluid van de sleutel in het slot omhoog klom. Ik viel dan onmiddellijk in slaap en hoorde niet eens meer dat zij langs onze slaapkamer de trap op kwam.

Het irrationele is nu dat deze ongerustheid verdween toen zij uit huis ging. Zelfstandig wonend in Amsterdam hield zij natuurlijk dezelfde leefwijze aan, maar ik lag daar niet meer wakker van. Buitengewoon prettig, maar ook ook buitengewoon raar. Is moederlijke bezorgdheid dan zo sterk gekoppeld aan de 24-uurs zorg die je hebt zolang je kinderen thuis wonen? Het eindeloze, tot automatisme geworden, bijna gedachteloze meedenken: je wilde Chris dit weekend nog bellen. Oh ja! Vooruitdenken: als je morgen mijn fiets wilt lenen, moet je die rem even maken, weet je wel. Oh ja! En hier is dat T-shirt, die gekke vlek is eruit. Oh ja!

Als dat kleine gezorg niet meer nodig is, omdat telefoon, fiets en T-shirt zich elders bevinden, zakt dan ook de ongerustheid weg over wat er in het groot allemaal mis zou kunnen gaan?

Deze vraag was indertijd aanleiding om in eigen vrouwelijke kring eens voorzichtig te peilen. En ja, men herkende dat wel. Kenmerkende uitspraak: “Je hebt dan toch het gevoel dat je het hebt afgemaakt. Dat ze het verder zelf wel kunnen. Dat je weer meer aan jezelf toekomt.”

De theorie liet na enig zoeken niet lang op zich wachten. Jung blijkt er trouwens al over geschreven te hebben. In het algemeen heeft, volgens zijn theorie, bij jonge vrouwen het zorgende vóór en accepterende vàn anderen de overhand en blijft het mannelijke principe van recht opeisen voor zichzelf en beheersend beïnvloeden van anderen wel aanwezig, maar op een laag pitje. Bij vrouwen van middelbare leeftijd komt echter in toenemende mate dat meer mannelijke tot gelding. (Voor mannen geldt omgekeerd hetzelfde: op jongere leeftijd is de man gericht op beheersing van de werkelijkheid volgens logische principes, hetgeen ten koste gaat van zijn vrouwelijke, koesterende en op anderen gerichte kant. De middelbare man wordt vrouwelijker in zijn kijk op de wereld.)

Andere psychologen hebben er wat huiselijker over geschreven, want het bovenstaande past natuurlijk mooi bij de traditionele rolverdeling als het gaat om brood op de plank en grootbrengen van kinderen. Maar zodra dat niet meer nodig is, passeren man en vrouw elkaar kruiselings. De vrouw krijgt de kans zich meer op de buitenwereld te richten en ook daar door haar prestaties erkenning te vinden. De man heeft in zijn werkzame bestaan bereikt wat er voor hem te bereiken viel, hoeft, als hij verstandig is, niet meer zo nodig en krijgt meer oog voor persoonlijke relaties.

Systematische ondersteuning voor deze ideeën komt vooral van onderzoeksresultaten uit de hoek van het zogeheten lege-nest-idee. Dat begrip slaat op de veelgehoorde opvatting dat vrouwen in het beruchte zwarte gat vallen zodra het laatste kind de deur uit is. Datgene waaraan zij zo ongeveer twintig jaar hun emotionele bestaansrecht hebben ontleend, ontvalt hun dan immers. Men kan daar de treurigste verhandelingen over lezen, maar in onderzoek wordt er in het algemeen weinig van teruggevonden. Integendeel, er is bij vrouwen uit die levensfase een toename geconstateerd van zelfvertrouwen, gevoel van eigenwaarde en van durven opkomen voor eigenbelang. Dit verschil tussen idee en realiteit laat zich wellicht verklaren door de grote gezinnen van vroeger en de kleine van nu. Eens was de moeder op het moment dat haar jongste op eigen benen kon staan zelf niet ver meer van de ouderdom af, zodat er niet nog een heel leven voor haar lag; tegenwoordig is zij nog in een vitale leeftijdsfase - trouwens wel iets om mee rekening te houden als men het ouderschap zeer ver vooruit schuift.

Wie om zich heen kijkt ziet bovendien dat veel vrouwen tegenwoordig als de kinderen het huis uit zijn buitenshuis zeer actief worden, ook als het hun niet lukt werk te vinden. Bij allerlei cursussen van de volkshogescholen zijn zij oververtegenwoordigd. De seniorengroepen van sportclubs leiden mede dank zij hen een bloeiend bestaan. Zij houden menig verenigingsleven draaiend.

Wie met hen praat hoort vaak het woord vrijheid vallen. Een vrijheid die men niet zo makkelijk opgeeft. Dat merkte ik bijvoorbeeld op een discussie-avond over grootmoederschap, waar menig moeder van vijftigplus verklaarde tegen haar kinderen te hebben gezegd dat zij niet moesten verwachten dat, mochten zij tot het ouderschap besluiten, oma wel op het kleinkind zou passen. “Nee, nu ben ik even zelf aan de beurt”, zei een van hen onder grote bijval.

Dat lege nest leverde vroeger een leuke beeldspraak op, maar heeft met de tegenwoordige werkelijkheid niet veel meer te maken.