Grondstofprijzen zoeken bodem

ROTTERDAM, 11 FEBR. Met veel kabaal duikelden de prijzen van grondstoffen op maandag deze week pardoes over de gehele breedte met gemiddeld zes procent. Metalen als aluminium en koper, die vorig jaar 75 procent in waarde waren gestegen, vielen met tien procent terug. Nikkel verloor 20 procent ten opzichte van half januari. Als directe oorzaak van de verkoopgolf geldt het tegenvallende werkloosheidscijfer dat het Amerikaanse ministerie van arbeid de vrijdag daarvoor presenteerde. Het langverwachte afzwakken van de Amerikaanse economische groei leek met de stagnerende werkgelegenheid in de Verenigde Staten eindelijk te zijn bevestigd. Minder toekomstige groei betekent een minder snel stijgende behoefte aan grondstoffen, waardoor het aanhouden posities in de markt niet langer aantrekkelijk is. De gebeurtenissen van vorig jaar hebben intussen geleerd dat het verband tussen de beweeglijke grondstoffenmarkt en de rest van de wereldeconomie niet eenduidig is. De huizenhoge stijging van vrijwel alle produkten, van metalen tot koffie en cacao, kende oorzaken die weinig van doen hadden met naderende inflatie of een verwachte explosie van economische groei. Koffie en cacao werden voornamelijk beheerst door misoogsten in de belangrijkste exportlanden, en vrijwel de gehele markt fungeerde als uitlaatklep voor de financiële markten waar beleggers vluchtten uit obligaties en in de goederenmarkten.

Tijdens de prijspieken zelf in de zomer van 1994 waren analisten daar nog niet uit: fungeerden de grondstoffenmarkten als macro-economische graadmeter, of werden ze beheerst door het kuddegedrag van beleggers? Een half jaar na de prijspiek lijken beide beweringen een beetje waar: wereldwijd is de economische groei inderdaad sneller aangetrokken dan voorzien, maar er blijkt zich in de zomer toch een speculatieve luchtbel in de grondstoffenmarkt te hebben gevormd, die vroeg of laat zal moeten leeglopen.

De recente prijsval op de goederenmarkten, die later in de week overigens voor een deel weer herstelde, zorgt voor het zelfde dilemma. Is het signaal van de stagnerende Amerikaanse economische groei terecht op de grondstoffenmarkten opgepikt, of is dit het begin van de leegloop van de luchtbel van 1994? Wat de Amerikaanse economie betreft lijkt het nog wat te vroeg om de eerste dip in het werkgelegenheid aan te grijpen als teken van een naderende groeivertraging. Bovendien wordt het afzwakken van de economische groei in Noord-Amerika dit jaar ruimschoots gecompenseerd door de overige industrielanden die de recessie nog maar net achter de rug hebben. Dat betekent in ieder geval dat er nog een stevige bodem onder de grondstoffenprijzen moet zitten.

Het gedrag van beleggers lijkt in dit geval een betere verklaring voor de plotselinge prijsval van maandag. Van diverse kanten is al opgemerkt dat de markt nog steeds meer dan gewoonlijk wordt beheerst door professionele partijen, niet door eindgebruikers. Zo zou bijvoorbeeld driekwart van de voorraden op de Londense metaalmarkt in handen zijn van de banken zelf. Speculeren in goederen heeft een groot nadeel ten opzichte van andere beleggingsvormen. Aandelen geven altijd nog dividend, obligaties of deposito's geven rente, maar grondstoffen genereren geen inkomen. Als het uitzicht op prijsstijgingen vervliegt is geen enkele reden om ze nog aan te houden.

De bedding die de vluchtende kapitaalstroom koos werd deze week al snel zichtbaar. De uittocht uit de instortende obligatiemarkt van vorig jaar naar beleggingen in grondstoffen werd omgedraaid: bij de dalende grondstoffenprijzen trokken de obligatiekoersen juist flink aan. Dat het fenomeen evenals vorig jaar voornamelijk uit de Verenigde Staten komt, valt volgens sommige analisten af te lezen aan het feit dat de Amerikaanse obligaties het in verhouding veel beter deden dan obligaties van de landen in de harde monetaire kern van Europa.

Het zachtjesaan leeglopen van de grondstoffen-bubbel zorgt er voor dat de meeste analisten nu rekenen op een geleidelijke daling van de goederenprijzen. De aanhoudende economische groei, waardoor de vraag op peil blijft, voorziet de markt daarbij voorlopig van een ondergrens. Dat zijn twee zekerheden waarmee de marktpartijen op de grondstoffenmarkt mee kunnen leven, maar een derde, onzekere, factor dient zich aan. De nog steeds hoge prijzen ten opzichte van het dal van het begin van de jaren negentig verleidt de aanbieders van grondstoffen de produktiecapaciteit fors te verhogen. Dat neemt enige tijd, en mocht die extra capaciteit juist de markt straks bereiken op het moment dat het wereldwijde economische herstel aan kracht verliest, dan is de huidige bodem onder de goederenprijzen niet langer vanzelfsprekend.