Leef losjes en toch weerbaar; Boeddhistisch ontspannen gedichten van K. Michel

K. Michel: Boem de nacht. Uitg. Meulenhoff. 56 blz. Prijs ƒ 34,90.

Met zijn debuutbundel Ja! Naakt als de stenen werd K. Michel in 1989 in één keer Nederlands kampioen uitroepteken. Geen dichter die er zoveel in zijn poëzie kwijt kon als hij. Al die uitroeptekens waren nodig om zijn onbevangen, bijna kinderlijke aandacht voor de werkelijkheid uit te zingen, in regels als 'Aap! Noot! Mies!', 'Hopla!' en 'Bwoehoeoe!/Grote boze wereld!'. Het opmerkelijke van zijn tweede bundel is dat hij deze maximale uitbundigheid vrijwel geheel is kwijtgeraakt. Alleen de titel Boem de nacht doet nog even anders vermoeden. Maar verder zijn alle uitroeptekens verdwenen en is er over zijn zinnen een grote rust neergedaald. In de eerste regels van het eerste gedicht schuift een man de gordijnen opzij en neemt bedaard het uitzicht in zich op. Hij ruimt op zijn gemak de tafel leeg en laat de omgeving rustig tot zich door dringen: 'de radio / geeft een overzicht van de feiten'. En vervolgens gaat hij zitten, met voorlopig geen andere bedoeling dan te gaan staren naar de nerven in het tafelblad.

Het is een arrangement dat doet denken aan de poëzie van iemand als Martin Reints: dezelfde nuchtere toon, dezelfde onthechte waarneming en dezelfde laconieke humor. Voor wie zijn Reints kent lijkt er op verschillende plaatsen zelfs wel een stille groet gebracht te worden. Zo duikt ergens in een opsomming tussen een 'deurgarderobehanger' en een 'warme lucht blazende krulborstel' opeens een 'zwenksproeier' op, om precies te zijn 'een zwenksproeier met broesstand'. Het zou een knipoog kunnen zijn naar de dichter die in zijn eerste bundel zo'n meeslepend portret gaf van een 'bedrijfsklare dieptesproeier'. En als dat te vergezocht is, dan is het zwenksproeiervers wel een goed voorbeeld van de Reintsachtige manier van dichten in Michels tweede bundel. 'Op weg naar de koelkast' heet het en met die titel is de anekdote van het 66 regels tellende gedicht goed samengevat: terwijl hij in zijn buitenlandse hotelkamer op weg naar de koelkast is, ontdekt de dichter strandteer op zijn voetzolen, waarop hij zich naar de badkamer haast. Dit gegeven wordt omspeeld door strofen waarin rijkelijk geciteerd wordt uit een toeristische gids en uit een reclamefolder voor allerlei huishoudelijke apparatuur, met alle mooie woorden vandien: pulpscheiders, diepvriesvoorraaddozensets, tuinmeubelkussenbewaartassen, en zwenksproeiers met broesstand dus. Daartussendoor wordt rustigjes verteld over een lokale vulkaanuitbarsting plus aardbeving en over een telefonische enquête naar het koopgedrag van de dichter.

Het is vermakelijk allemaal, met een desolate toets, maar een duidelijke strekking bevat het niet. Het zou een aanklacht tegen de consumptiemaatschappij kunnen zijn. Of een portret van eenzaamheid op een verre hotelkamer. Maar eerder denk ik dat in de taal, en in het schuiven met taal, het eigenlijke onderwerp van dit gedicht ligt. Michel is gevoelig voor allerlei soorten tekst, voor talen en taaltjes, registers en idiomen, termen en uitdrukkingen. Die worden ondergebracht in lange gedichten met veel witregels en weinig interpunctie. Beginnen en eindigen is moeilijk in dit genre, en veel komt aan op de compositie van al die prozaïsche tekstblokjes. Samen vormen ze een portret, of een sfeer, of een dwarsdoorsnede, waar weinig samenvattends over gezegd kan worden, want dat is nu juist waar deze naar het proza uitvloeiende vorm niet naar toe wil. Heel in het algemeen geven deze scenische gedichten uitdrukking aan het besef dat er veel, misschien wel te veel in deze wereld omgaat, dat er zo veel verschillende stemmen zijn en dat de dichter al blij mag zijn als hij er zijn eigen dam tegen kan opwerpen.

In een poging tot een zelfportret breekt hij zich het hoofd 'over de stofstorm van nieuwsfeiten / en het alomtegenwoordige gebrek aan visie', maar hij komt er niet uit, hoezeer hij ook zoekt in literatuur en filosofie: 'een toekomstverschiet / toonde zich niet en van een scherping / van de utopische blik was geen sprake / laat staan dat ik de wereld in een zandkorrel zag.' En daarna vlucht hij maar in een humoristische oplossing. Zo zwenkt Michel vaak tussen zijn bezonken en zijn losbollige kant, tussen queeste en cabaret. Er valt her en der wel degelijk een verlangen naar hogere wijsheid te bespeuren, maar meestal bevindt zich dat tussen de regels, terloops geformuleerd: misschien wel omdat ook in het dagelijks leven de momenten van inzicht zich alleen terloops aandienen. 'In het vijfde element' is een mooie verhandeling over hoe de dichter tijdens de afwas op de radio de stem van Nescio hoort: een opname uit 1959 van een verhaal uit 1942, handelend over een treinreis uit 1896. De oude verwachting van toen, gelezen door een ontroerde schrijver, zomaar beland in de keuken van de dichter, 'in een trage werveling van tijdstippen': hij kan het niet anders opvatten dan als 'een glimp van gene zijde'. In 'De meeuw van Treytel' geeft hij een opsomming van komische coïncidenties, zoals die meeuw die ooit in De Kuip door keeper Treytel aangeschoten werd, een garage van de firma Roest, een deurwaarder met als achternaam God. Michel vat ze op als 'souvenirs van een vergane samenhang', en ook daaruit spreekt toch, bij alle vrolijkheid, een zekere weemoed naar een zinvol verband.

Het is gemakkelijk deze gedichten af te doen als rustig richtingloos proza, zonder veel spanning - maar het intrigerende ligt nu juist in de bijna boeddhistische ontspanning: in langzaam leven, in het uitvergroten van momenten, net zo lang tot ze stilstaan. Die instelling maakt van zijn notities alsnog poëzie, en wel heel bijzondere, ook nog eens voorzien van een heuse levensles: leef losjes en toch weerbaar. Het mooiste beeld uit de bundel is dat van de veerboot die in de herfst stil voor anker ligt, een eindje uit de oever, omzwermd door krijsende meeuwen, 'in een dwars soort laissez-faire'. Die boot beoefent daar, dwars op de stroom, de kunst die Michel ook beoefent: de kunst van het laten gaan, zonder met de grote stroom mee te drijven.