Identiteit van Nederland en Europa zijn in het geding; 'Europa zal op jungle gaan lijken'

De Europese Unie krijgt steeds meer een intergouvernementeel karakter. Dat zal Nederland dwingen om vaker zijn eigen boontjes doppen. Volgens de Nederlandse ambassadeur in Duitsland, A.P. van Walsum, moet Nederland daarbij gebruik maken van zijn ligging en zijn natuurlijke hulpbronnen.

BONN, 10 FEBR. Nederland moet zich voorbereiden op een Europa met sterkere intergouvernementele trekken, dat minder communautair en democratisch zal zijn en meer concurrentie zal kennen. Dat komende Europa zal soms op “een jungle” lijken, waarbinnen het recht van de sterkste geldt.

Dit heeft A.P. van Walsum vanmorgen in Lunteren gezegd in een toespraak voor de sectie Duits van de Vereniging van leraren in levende talen. Nederland zal in Europa als “iedere lidstaat in de eerste plaats zijn eigen boontjes moeten doppen” en daarom - “want wie niet sterk is moet slim zijn” - zijn geografische positie (verkeer en vervoer) en natuurlijke hulpbronnen straks beter moeten gebruiken om te kunnen “opboksen tegen lidstaten met vier- tot vijfmaal zoveel inwoners als wij”. Tot de nationale “hardware” moet dan bijvoorbeeld ook de betere kennis van de moderne talen behoren.

Volgens Van Walsum, voormalig directeur-generaal politieke zaken op het ministerie van buitenlandse zaken, moet er rekening mee worden gehouden dat de Bondsrepubliek op de Toetsingsconferentie van de Europese Unie in 1996 opnieuw moet kiezen tussen een communautair en federaal gestructureerd Europa en haar uitgangspunt dat de Frans-Duitse samenwerking de motor van de Europese integratie moet zijn. “De Duitse voorbereidingen voor 1996 wekken een zeker gevoel van déjà vu bij mensen die Maastricht hebben meegemaakt.”

Pag.2: Geen leider kleine landen

Ambassadeur Van Walsum voorziet dat Frankrijk, net als in 1991, weer weinig zal willen weten van communautaire lijnen “met grotere bevoegdheden voor de Europese Commissie en het Europese Parlement ten koste van geleidelijk minder soeverein wordende lidstaten”. En hij verwacht dat Duitsland ook in 1996 “het belang van zijn nauwe relatie met Frankrijk tenslotte het zwaarst zal laten wegen”.

Beide landen zullen elkaar weten te vinden in de overtuiging dat de Europese Unie behoefte heeft aan grotere daadkracht, aldus Van Walsum. Het vereiste van 'Handlungsfähigkeit' op gebieden van interne en externe veiligheid - thema's op de Toetsingsconferentie - vloeit immers voort uit verwijten van de burgers over de EU-machteloosheid.

“Daarom zegt de Nederlandse regering niet meer hardop wat zij vóór Maastricht altijd wel gezegd heeft, namelijk dat in een intergouvernementele structuur geen plaats is voor meerderheidsbesluitvorming”, aldus Van Walsum. Want waar dat argument gold vóór communautarisering, dreigt het nu vooral een argument te worden tégen meerderheidsbesluitvorming, “en daar deinzen wij voor terug”.

Nu het door Nederland gewenste, met zijn belangen sporende communautair-federale Europa met besluitvorming per consensus “er niet meer inzit” en de “fundamentele gelijkheid van soevereine staten, het intergouvernementalisme in zijn zuiverste vorm”, zich voor de toekomst aandient, valt volgens de ambassadeur nauwelijks te ontkomen aan een besluitvormingsmechanisme in de EU of in een kerngroep in de EU, “dat verschillen in inwonertal in aanmerking neemt”. Nederland zou er wat hem betreft verkeerd aan doen zich in Europa op te werpen als communautaire leider van de (nu) tien staten met minder dan 16 miljoen inwoners.

Voor de democratie in Europa vreest Van Walsum voor grotere problemen als straks, zoals het zich laat aanzien, de rechten van het Europarlement nog steeds niet zijn vergroot. “De nieuwe heersende leer is dat de democratische legitimatie deels via de nationale parlementen zal moeten worden verwezenlijkt. Maar wat heeft onze Tweede Kamer daar voor boodschap aan? Die is wel bereid bevoegdheden af te staan aan het Europese Parlement, maar niet aan de Bundestag, het House of Commons of eens in de zeven jaar aan het Franse electoraat.”