Het recht op lelijkheid; Los Angeles als model voor de Randstad

Nederlanders wonen bij voorkeur in een eengezinswoning, het liefst met een puntdak, en met de auto naast de deur. Los Angeles zou daarom volgens veel stedebouwkundigen model kunnen staan voor de Nederlandse stad van de toekomst. Het Groene Hart zou moeten worden opgeofferd, maar zal iemand dit 'biologisch rampgebied waar alleen nog voor een recreërende masochist leuke routes zijn te vinden' missen?

Tentoonstelling: Expedition L.A. T/m 23 april in het Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam. Geopend: Di t/m za 10-17 u, zo 11-17 u. Prijs gelijknamige boek (96 blz.) ƒ 25,-

Vincent van Rossem: Randstad Holland. Variaties op het thema stad. Uitg. NAi Publishers, 70 blz. ƒ 15,-

James Steele: Los Angeles Architecture. The Contemporary Condition. Uitg. Phaidon, 232 blz. ƒ 127,85

De lelijkste stad van de wereld, noemt Philip Johnson, de nestor van de Amerikaanse architectuur, Los Angeles. Een andere architect, de inmiddels overleden John Lautner, werd zelfs fysiek onwel van de stad. Zo extreem reageren de meeste bezoekers niet op de Californische metropool, maar er zijn weinig mensen die de stad aantrekkelijk vinden. Zeker Europeanen, gewend als ze zijn aan oude steden met een duidelijk centrum, schrikken nogal van de amorfe miljoenenstad en beperken hun bezoek meestal tot Disneyland, Hollywood en het strand.

Toch is Los Angeles, na Chicago, Amerika's architectuurstad nummer 2. De gebroeders Greene, Frank Lloyd Wright, Neutra, Schindler, Ray en Charles Eames, Lautner, Venturi, Isozaki, Pei - het zijn maar een paar namen van beroemde architecten die er hun sporen hebben achtergelaten. Tegenwoordig is Los Angeles met architecten als Eric Owen Moss, Frank Israel, het bureau Morphosis en vooral Frank Gehry zelfs met afstand Amerika's opwindenste architectuurstad. Maar wie Los Angeles bezoekt, merkt er weinig van. De gebouwen van de bekende architecten gaan verloren in een oceaan van lelijkheid, het zijn incidenten waarnaar men moet zoeken.

Het is dan ook niet om deze incidenten dat Los Angeles steeds vaker als stad van de toekomst wordt afgeschilderd, maar juist om wat de stad zo lelijk maakt. Nergens heerst zo meedogenloos de machine die nog altijd overal ter wereld wint aan populariteit: de auto. Met zijn kolossale systeem van freeways, boulevards en gewone straten is Los Angeles al decennia lang de stad van de mobiliteit, het futuristische toverwoord. Of zoals de Los-Angeles-architect Thom Mayne schrijft: 'Uiteindelijk gaat het in deze stad niet om architectuur, maar om infrastructuur, stroom, beweging, vloeibaarheid, gebrek aan vastheid.' Allemaal woorden die de profeten van de virtual reality als muziek in de oren klinken.

Los Angeles is voorlopig de laatste van de steden die tot 'stad van de toekomst' is uitgeroepen. Een paar jaar geleden trokken architecten en bouwkunsttoeristen nog massaal naar Barcelona om te zien hoe nieuwe stadspleintjes moesten worden ontworpen, nu wedijveren Tokio, die andere foeilelijke metropool, en Los Angeles om het predikaat 'absolute avant-garde op stedebouwkundig gebied'. Lange tijd gold Los Angeles als een parodie op een stad, maar tegenwoordig wordt de bebouwde woestijnvlakte door veel architecten en stedebouwkundigen als 'hoofdstad van de 21ste eeuw' beschouwd.

Ook voor de Nederlandse Randstad wordt Los Angeles als model gezien: het lege gebied van het Groene Hart, zo is te horen, kan maar het beste worden volgebouwd met eengezinswoningen. West-Nederland wordt dan, net als Los Angeles, één groot stedelijk gebied, eventueel met een nieuw aan te leggen snelweg die, als de beroemde Wilshire Boulevard in Los Angeles, het Groene Hart doorsnijdt.

Het lag dan ook voor de hand dat de architectenreis van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst en het Nederlands Architectuurinstituut vorig jaar naar Los Angeles ging. Na Tokio als reisbestemming in 1992 kregen nu achttien architecten, stedebouwkundigen en critici dankzij forse subsidies de kans om de Californische versie van de toekomst met eigen ogen te aanschouwen. Hun reisverslagen zijn te zien op de bovenste verdieping van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam en te lezen in Expeditie L.A., een boekje met teksten van de deelnemers. Wie alles bekijkt en leest, krijgt een beeld van wat mogelijk de Nederlandse toekomst is.

Stad van de angst

Los Angeles is een stad zonder centrum, een eindeloos groen stedelijk landschap dat wordt doorsneden door brede snelwegen. Hoogbouw is beperkt tot hier en daar een oprisping, de rest bestaat uit eengezinswoningen met elk hun eigen tuintje en liefst ook een zwembad. Elke denkbare stijl is vertegenwoordigd in de huizenzee: classicisme, 'Spanish Mission'-stijl, modernisme, postmodernisme, en vooral allerlei fantasiestijlen - alles is mogelijk in Los Angeles, een schoonheidscommissie bestaat niet. Langs de boulevards liggen de winkels, restaurants en cafés, meestal niet meer dan platte dozen omgeven door parkeerterreinen, en schreeuwen de gigantische billboards om aandacht. Op belangrijke kruispunten zijn de shopping malls gevestigd, de winkelparadijzen die vaak alleen per auto toegankelijk zijn. Lopen is voor de zotten en armen in Los Angeles, parken en pleinen zijn er nauwelijks: de belangrijkste openbare ruimte wordt gevormd door de wegen die veertig procent van de stad in beslag nemen. Pas wie zich in een auto op de freeway begeeft, voelt zich opgenomen in de bloedvaten van de stad.

Los Angeles is een stad die voortdurend verandert. Wijken waarvan de bevolking een paar jaar geleden nog zwart was, worden nu bevolkt door Koreanen of Mexicanen. Kantoren, hotels, fabrieken en warenhuizen die hun oorspronkelijke functie niet meer vervullen, worden onmiddellijk opgeruimd om plaats te maken voor parkeerplaatsen of nieuwe gebouwen. Wonen doet men voornamelijk in stucco boxes, houten, gestucte huizen die gemakkelijk te veranderen zijn. Steeds verder stromen de stucco boxes de woestijn in, steevast volgens het kaarsrechte patroon van het grid dat de vorm van zoveel Amerikaanse steden bepaalt.

Binnen het grid heeft elke culturele minderheid een eigen plaats. De grootste minderheid bestaat niet langer uit blanken, maar uit bewoners die uit Zuid- en Midden-Amerika afkomstig zijn en die zich ten zuiden en oosten van Downtown L.A. hebben gevestigd. Wie Bunker Hill, waar de glanzende wolkenkrabbers staan, afdaalt, waant zich plotseling in Mexico City. Los Angeles is niet alleen de hoofdstad van de eenentwintigste eeuw, maar ook van de Derde Wereld. Er worden een stuk of tachtig talen gesproken, en elk jaar komen er een half miljoen legale en illegale immigranten bij.

Los Angeles is een grimmige stad. Het verpauperde zwarte getto van South Central is een bron van weerkerende geweldsuitbarstingen en sociale onrust die de neiging van de welgestelde Angeleno's versterken om zich te verschansen in hun luxe burchten in wijken als Beverly Hills. Steeds scherper worden de grenzen tussen de verschillende minderheden en hun wijken, mede door de freeways die hele stadsdelen afsluiten en zo gettovorming in de hand werken. Los Angeles is de stad van de angst, volgehangen met de bordjes 'Armed Response', en steeds meer schuiven de rijken, op de vlucht voor de paupers en misdadigers, naar de rand van de stad.

Toch blijft het mogelijk de stad waar te nemen als een paradijs. Het is heel gemakkelijk de ogen te sluiten voor de werkelijkheid en zo een eigen, irreëel beeld van de stad te scheppen. Wie over de freeways rijdt, ziet vrijwel niets van de 132 stadjes waaruit Los Angeles eigenlijk bestaat. Het is mogelijk steeds weer de metropool te doorkruisen zonder ooit te worden geconfronteerd met de getto-ellende en het leven te beperken tot de villa's in Beverly Hills, de kantoren van Downtown L.A., surfstranden, shopping malls en de hippe winkeltjes en cafés op Melrose Avenue.

De filosoof René Boomkens noemt Los Angeles in Expeditie L.A. zelfs ronduit een namaak-stad: alleen al het feit dat de stad in de woestijn ligt en het water over honderden kilometers moet worden aangevoerd, geeft de stad iets onwerkelijks.

Achter de dijken

Zo beschouwd is Nederland, waar het water juist met alle macht achter de dijken moet worden gehouden, niet minder onwerkelijk dan Los Angeles. Er is nog een overeenkomst, merken de samenstellers van de tentoonstelling Expeditie L.A. op: net als Los Angeles bestaat de Randstad-Holland uit een groot aantal verschillende steden en dorpen die door de bouw van laagbouwwoningen aan elkaar zijn vastgegroeid. En aangezien volgens de Vierde Nota Extra (VINEX, 1990) van het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer de komende jaren in Nederland één miljoen woningen moeten worden gebouwd, kan het volgens hen geen kwaad om eens serieus naar Los Angeles te kijken, de stad waar elk jaar een half miljoen nieuwe inwoners een onderkomen vinden.

Een paar reislustige architecten en critici vinden dat er inderdaad veel van Los Angeles te leren valt. Zo schrijft de architect-stedebouwkundige Endry van Velzen dat marktpartijen en consumenten een voorkeur hebben voor 'suburbane woongebieden buiten de stad', maar dat de rijksoverheid met de zogeheten VINEX-locaties juist kiest voor een geconcentreerde verstedelijking vlakbij de grote steden, zoals IJburg bij Amsterdam en Leidsche Rijn bij Utrecht. Van Velzen stelt voor om nieuwe wijken te bouwen op de manier als in Los Angeles: 'De overheid ziet toe op het tot stand komen van het grid en stelt eenvoudige bebouwingsvoorschriften op. Daarbinnen mag iedereen zonder nadere (esthetische) bemoeizucht z'n gang gaan. Ook voor spontaniteit, eigenbouw, tijdelijkheid en transformaties in de tijd wordt zo ruimte geboden. De structuur van het grid is onderwerp van ontwerp, evenals de plaats en bestemming van de grote open ruimten. 'Deze open ruimten (bijvoorbeeld plassen, duinen enzovoorts) dienen als 'identifying devices' en kunnen een ingang bieden tot een genuanceerde herinterpretatie van het Groene Hart. De Haarlemmermeer zou als tussengebied van Haarlem, Leiden en Amsterdam een prachtige proeftuin kunnen zijn.' Of dit ook tot mooie steden zal leiden, interesseert Van Velzen niet. Instemmend citeert hij ten slotte Cornelis van Eesteren, de ontwerper van het beroemde Amsterdamse Uitbreidingsplan uit de jaren dertig: 'De tegenwoordige mensch wil werkelijkheid ook wanneer zij lelijk is.'

Van Velzen wil het Groene Hart van de Randstad dus nog op een of andere manier behouden, volgens de stedebouw-historicus Vincent van Rossem, die niet mee op reis was naar Los Angeles, is dit overbodig. Het Groene Hart is een mythe, schrijft hij in Randstad Holland. Variaties op het thema stad, een boekje dat niet toevallig tegelijk met de opening van de tentoonstelling Expeditie L.A. verscheen. Het Groene Hart is niet meer dan een agrarische woestijn van industriële melkproduktie, 'een biologisch rampgebied waar alleen nog voor een recreërende masochist leuke routes zijn te vinden' en waar de rust overal wordt verstoord door auto's en horizonvervuiling. Dat wil niet zeggen dat Van Rossem vindt dat het hele Groene Hart moet worden volgebouwd. 'Met enig respect voor de geschiedenis van dit landschap kan voortgaande verstedelijking geïntegreerd worden zonder fatale gevolgen.'

Die verstedelijking zou, vindt ook Van Rossem, de vorm moeten krijgen van Los Angeles. Zijn redenering is simpel. Uit onderzoek is weer eens gebleken 'dat een ruime meerderheid van het Nederlandse volk bij voorkeur in een eengezinswoning woont, het liefst met een puntdak.' Bovendien zijn Nederlanders dol op autorijden en het is te verwachten dat hun liefde voor de auto de komende jaren alleen nog maar toeneemt. Dus wat ligt er meer voor de hand dan het Groene Hart om te toveren tot een Nederlands Los Angeles? Disneyland, suburbia en malls zijn 'niets anders dan de verschijningsvorm van het kapitalisme van de twintigste eeuw. Het heeft weinig zin om tegen windmolens te vechten, dus probeer te leven met Los Angeles.'

Maar juist de auto en het vrijstaande huis zijn taboe verklaard in de nieuw te bouwen wijken op de VINEX-locaties, schrijft Van Rossem. Het is zelfs nog erger: de VINEX-locaties zijn onaantrekkelijke gebieden waarin veel zal moeten worden geïnvesteerd om ze per openbaar vervoer bereikbaar te maken. 'Er wordt veel overheidsgeld uitgegeven om huisvesting te realiseren voor een groep die beduidend meer dan modaal verdient en die bovendien liever ergens anders wil wonen.' Dit geld zou volgens hem beter kunnen worden besteed aan de echte problemen van De Randstad. Als een van de lessen van Los Angeles is dat men de bouw van woningen voor bovenmodalen over kan laten aan projectontwikkelaars, werkgevers en bewoners die van huizen met puntdaken en autorijden houden, dan luidt een andere les dat de overheid moet blijven investeren in de binnensteden, iets dat in Los Angeles is vergeten en waarvoor ook in Nederland de komende jaren veel minder overheidsgeld beschikbaar zal worden gesteld dan in het recente verleden. 'De suggestie dat de stadsvernieuwing voltooid zou zijn, dient met kracht te worden bestreden,' schrijft Van Rossem.

Te veel koeien

Het provocerende betoog van Vincent van Rossem heeft sterke kanten. Vooral zijn aanval op het Groene Hart doorbreekt een taboe. Inderdaad bestaat het Groene Hart, op enkele uitzonderlijk mooie gebieden na die gemakkelijk kunnen worden behouden, uit saaie polders die doorsneden worden door wegen en spoorlijnen, bedekt zijn met een door landbouwgif zeer beperkte flora en bevolkt worden door altijd weer dezelfde koeien waarvan er toch veel te veel zijn.

Minder goed te begrijpen is waarom uitgerekend Los Angeles als model voor het Groene Hart wordt uitverkoren. Want net als het Groene Hart is Los Angeles een mythe geworden. Los Angeles heet de stad van de mobiliteit te zijn, maar op de freeways staan de autominnaars tegenwoordig vaker stil dan dat ze in beweging zijn. Het systeem van de freeways staat op springen en heeft zijn beste tijd gehad, schrijft de hoogleraar aan de University of Southern California James Steele dan ook in zijn onlangs verschenen boek Los Angeles Architecture. The Contemporary Condition. De bewoners van Los Angeles, die gemiddeld een uur of vijf per dag in de auto doorbrengen, zijn moe van de grote woon-werkafstanden. Niet voor niets investeert de autostad bij uitstek nu elk jaar een miljard dollar in een metronet, het grootste publieke werk van de Verenigde Staten, dat Los Angeles moet terugvoeren naar de vooroorlogse tijd toen de stad beschikte over een uitgebreid openbaar-vervoersysteem.

Ook Los Angeles als groene anti-stad is een mythe aan het worden. De woningdichtheid is al drie keer zo groot als in de periode 1920-1950 en nu al bestaat zestig procent van de bebouwing van Los Angeles uit appartementengebouwen. Aan verdere verdichting valt niet te ontkomen, al was het alleen al om de peperdure metro enigszins rendabel te maken. Steeds meer houden architecten zich dan ook bezig met gebouwen waarin, anders dan in Los Angeles gebruikelijk was, verschillende functies worden ondergebracht, en steeds vaker proberen ze de eentonige wijken te bezielen met pleintjes en andere openbare ruimtes. Het duidelijkst is dit zichtbaar in Downtown L.A. dat in tien jaar tijd van een gebied met een voor Amerikaanse begrippen lage bebouwing onherkenbaar is veranderd in een opeenhoping van wolkenkrabbers die, zeker als in 1996 de door Frank Gehry ontworpen Disney Concert Hall wordt geopend, zowaar begint te lijken op een heus centrum.

'Het suburbane model en de automobiel die het mogelijk heeft gemaakt, hebben weinig kans om te overleven', schrijft Steele. 'Men heeft het gevoel dat Los Angeles sociaal geïntegreerd moet worden en een centrum nodig heeft. Op vele niveaus breekt het besef door dat een aanpassing aan een meer gecondenseerd stedelijk prototype niet alleen voordelig maar ook noodzakelijk is. Deze nieuwe wijken zullen uiteindelijk Surfurbia verdringen.' De les van Los Angeles is duidelijk: wie het Groene Hart volzet met puntdakhuizen met elk hun eigen tuintje, zal over twintig jaar tot de conclusie komen dat verdichting noodzakelijk is. Het model Los Angeles is een achterhaald autopia.