Kameleonvirus op Sociale Zaken

Het verhaal gaat eigenlijk op voor alle nieuwe ministers en staatssecretarissen. Barstensvol ideeën en behept met dadendrang stappen ze na de beëdiging het hun toegewezen departement binnen. Eenmaal de portier gepasseerd, begint het ontnuchteringsproces. Op hen wacht de realiteit: de dossiers, de wetmatigheden en bovenal de onmogelijkheden. Steeds verder weg raakt het ideaal en steeds vaker voelen zij zich wegzakken in het moeras van de barre werkelijkheid. Om vervolgens die werkelijkheid te accepteren en daarna vol overtuiging uit te dragen. Hoeveel politici hebben niet pas echt het licht gezien toen ze minister of staatssecretaris waren geworden?

Het meest sprekende voorbeeld van die ontwikkeling in de vorige kabinetsperiode was ongetwijfeld PvdA-staatssecretaris van sociale zaken Elske ter Veld. Eind 1989 kwam ze het ministerie van sociale zaken binnen als 'moeder van de minima'. Drieëneenhalf jaar later verliet ze via de achterdeur als 'kielhaler van de arbeidsongeschikten' haar post voortijdig. Ter Velds bewustwordingsproces was te snel verlopen voor haar partijgenoten in de Tweede Kamer die dan ook het vertrouwen in hun staatssecretaris opzegden.

Daarmee liep het met Ter Veld slechter af dan haar CDA-voorganger Louw de Graaf. In 1977 werd hij onder het kabinet-Van Agt/Wiegel voor de eerste keer staatssecretaris van sociale zaken. Tot die tijd had hij zich als hoofdbestuurder van de vakcentrale CNV beziggehouden met sociale zekerheid. Vanwege dat verleden werd De Graaf in christen-democratische kring beschouwd als levende garantie voor de mensen met een uitkering. De Graaf ontwikkelde zich echter al snel tot een enthousiaste bezuiniger. Hij kreeg slaande ruzie met zijn oude vrienden van het CNV, maar niet met die van het CDA en hij kon dus blijven zitten.

In het licht van deze voorvallen is het interessant te zien hoe het de huidige staatssecretaris van sociale zaken, de VVD'er Robin Linschoten vergaat. Liberalen in de politieke leiding van dit ministerie zijn een schaars goed. Het departement is bijna altijd in handen geweest van socialisten of christen-democraten. In de 28 jaar dat de VVD in de regering heeft gezeten, werd slechts één keer eerder een VVD'er op het departement toegelaten: Koos Rietkerk die er van 1971 tot 1973 staatssecretaris van sociale zaken was.

Nu dus Linschoten. Getuige de portefeuille die hij als Kamerlid had een voor de hand liggende keuze, maar vanwege zijn politieke profiel tevens een gedurfde keuze. Want was Linschoten niet de grote propagandist van het in de verkiezingscampagne zo fel bediscussieerde ministelsel? In de kabinetsformatie zei hij het nog: dat ministelsel zou er komen. En al zijn partijgenoten knikten tevreden.

Deze week presenteerde Linschoten zijn eerste grote 'eigen' werkstuk: de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad over de kabinetsvoornemens ten aanzien van Ziektewet, WAO en AAW. Plannen die al in het 'paarse' regeerakkoord waren aangekondigd. Daarin stond dat “de bakens verzet moeten worden in de richting van privatisering bij de Ziektewet en marktwerking en premiedifferentiatie bij de uitvoering van de WAO”. De eerste stap op weg naar het ministelsel, stelde de VVD-fractie tevreden vast. Wie echter nu, nog geen half jaar later, de adviesaanvrage van Linschoten leest, kan niet anders dan constateren dat het voorgestelde systeem een ministelsel tot een illusie maakt.

Linschoten wil bij de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswet de bedrijfsverenigingen marktgerichter laten werken en tevens de markt openen voor particuliere verzekeraars. De voorwaarden waaraan particuliere verzekeraars worden gebonden zijn echter dusdanig dat de markt slechts in theorie voor hen open is. Zoals al in het regeerakkoord was afgesproken, blijven hoogte en duur van de uitkeringen ongewijzigd. De verzekeraars kunnen dus geen minder riante verzekering aanbieden in ruil voor lagere premies. Integendeel, minimaal de eerste acht jaar zal hun premie zelfs hoger zijn dan die van de bedrijfsverenigingen. Ten eerste zullen particuliere verzekeraars moeten blijven meebetalen aan de bestaande WAO-gevallen en bovendien kennen zij het kapitaaldekkingssysteem, dat de premie in het begin aanzienlijk hoger maakt dan het omslagstelsel dat in de publieke sector wordt gehanteerd. Anders gezegd: alleen voor de hele langte termijndenkers onder de bedrijven wordt het particulier verzekeren van arbeidsongeschiktheidsrisico's aantrekkelijk. Eerst zijn er de jaren van de hogere premie, maar daarna duurt het volgens berekeningen van het Verbond van Verzekeraars nog tien tot twintig jaar voordat de kosten uit de beginjaren zijn terugverdiend.

Ondertussen gaan de bedrijfsverenigingen marktgerichter werken. Vooral de voorgestelde premiedifferentiatie moet hieraan bijdragen. Het betekent dat de WAO-premie niet meer voor alle werknemers gelijk is, maar per bedrijfstak of zelfs per bedrijf, afhankelijk van het aantal arbeidsongeschikten, zal verschillen. Het collectief afwentelen wordt hierdoor grotendeels onmogelijk gemaakt. De kosten worden in rekening gebracht waar ze gemaakt zijn. Bedrijven met veel arbeidsongeschikten (de bouw) zijn duurder uit dan bedrijven met weinig arbeidsongeschikten (de banken). Hoe hoger de WAO-premie hoe groter de prikkel om iets te doen aan de arbeidsomstandigheden. Het betekent dat het particuliere verzekeringssysteem ook bij de bedrijfsverenigingen zal worden geïntroduceerd. Kortom, al weer een concurrentie-middel minder voor private verzekeraars.

Eigenlijk hoeven deze bedrijven zich volgens Linschoten dan ook helemaal niet melden op de WAO-verzekeringsmarkt. Hoe moet anders de volgende zin van zijn hand in de adviesaanvrage worden gelezen: “Opting out (overstappen naar een particuliere verzekeraar, M.K.) is met andere woorden niet zozeer een doel op zichzelf als wel een extra faciliteit om via concurrentieprikkels de publieke verzekeraar te stimuleren tot een marktgerichte uitvoering”. Slechts de mogelijkheid wordt geschapen om te dienen als afschrikwekkend voorbeeld voor de bedrijfsverenigingen. Naarmate de premies meer worden gedifferentieerd, wordt de drempel om de markt op te gaan automatisch hoger.

Het kabinet wil die premiedifferentiatie en verhoogt op deze manier de drempel. Het verhoogt dus ook de drempel voor het ministelsel dat is gebaseerd op een publiek verzekeringsdeel en een privaat deel.

Dat die drempel tegen het ministelsel wordt opgeworpen onder leiding van de VVD'er Linschoten maakt het extra pikant. Met Linschoten hebben ze bij de VVD hun eigen Elske ter Veld gekregen. Tenzij zal blijken dat het voorgestelde systeem werkt en inderdaad leidt tot een substantiële verlaging van de sociale zekerheidsuitgaven. Dan zou in de nu gepresenteerde adviesaanvrage wel eens een 'historisch compromis' tussen PvdA en VVD over de sociale zekerheid besloten kunnen liggen. Wat dat betekent voor de coalitie èn voor de politieke toekomst van Linschoten laat zich raden.