Een verschoppeling met God en de Dood als begeleider

Voorstelling: Buiten voor de deur (Draussen vor der Tür) van Wolfgang Borchert door Zeenzucht. Vertaling: Theo Vesseur; regie: Erik Koningsberger; spelers: Herman Egbers, Wieky de Boer, Gerard Meijler. Gezien 7/2 Bovenzaal Stadsschouwburg, Amsterdam. Te zien t/m 12/2 aldaar.

Duizend dagen is hij van huis weggeweest, de Kriegsheimkehrer Beckmann. Siberisch-koude nachten lang heeft hij door de straten gesjokt, met zijn stalen oorlogsbril op, zijn grauwe jas aan, met zijn ongeschoren gezicht en vooral met zijn verlangen ooit ergens naar binnen te gaan. Hij wil de warmte van het leven proeven aan gene zijde van gesloten deuren, zich koesteren in het licht dat brandt achter vensters.

Of wil hij maar liever dood? Hij hoeft maar in de Elbe te stappen, en er is slechts één dode meer te betreuren op de zoveel duizenden die de oorlog heeft geëist. Wolfgang Borchert schreef Draussen vor der Tür in 1946, in een roes van creativiteit. Zo is ook de toon van het stuk: explosief en monomaan. Theatergezelschap Zeenzucht dat het stuk nu speelt, is een ernstig gezelschap. Hoofdrolspeler Herman Egbers wendt zich op een gegeven moment rechtstreeks tot het publiek om een monoloog te houden over het lot van de verschoppeling. Hij is mager, heeft een priemende blik, zijn handen beven. Het is een zeldzame ervaring een acteur zo met zijn rol te zien samenvallen, zonder dat de tekst klinkt als een persoonlijk statement. Er is geen spoor van koketterie; Egbers meent wat hij zegt. Zijn onmiddellijke betrokkenheid geeft aan Beckmann de noodzakelijke allegorische betekenis. In hem weerspiegelen zich talloos veel miljoenen.

De expressionistische stijl van het oorspronkelijke stuk heeft de regie afgezwakt door God en de Dood, twee gestalten die Beckmann op zijn kruisweg begeleiden, met ironische afstandelijkheid te laten spelen. Ook de vormgeving getuigt van een soepele omgang met de regieaanwijzingen. Het donkere rivierwater is teruggebracht tot de luttele vierkante decimeters van een afwasteiltje. Blauw-glanzend plastic ligt over de speelvloer; eronder liggen kranten gespreid. Die symboliseren Beckmanns inzicht dat iemands dood niets aan de wereld zal veranderen. Kranten blijven verschijnen, de trams tinkelen opgewekt als altijd.

Aan het slot doorbreken de twee bijfiguren de toneelillusie. Beckmann krijgt een bekertje koffie in de hand geduwd, de anderen ruimen de rekwisieten op en gaan af. Maar Beckmann is niet weg te branden. In een wilde monoloog raast hij door over de mens die verdwaald is, die zijn vrouw kwijt is en wiens ouders dood zijn. In de ritmiek van de slotwoorden ervaar je de dwingende kracht waarmee Borchert het stuk schreef. Hoofdrolspeler Egbers sluit zich aan bij die stuwende felheid. Zelfs zijn laatste, in het kwijnende licht gestamelde woorden moeten worden beluisterd met overgave.