DE MIDDELMATIGE UNIVERSITEIT

De Nederlandse universiteiten worden als lammeren ter slachtbank geleid en het angstige geblaat vult de krantekolommen, inclusief de columns in deze krant. De problemen zijn door Ton van Raan op deze plaats (24 november) al goed samengevat: de universiteiten zijn aan het begin van de jaren zeventig opgezadeld met een bestuursstructuur, waarmee niet efficiënt valt te werken, althans waarmee geen ministerie of ander non-profit bedrijf zou willen werken.

Ook in een enkel ander Europees land, zoals Denemarken, is dat gebeurd, maar daar heeft men deze misbaksels onttakeld. In Nederland niet. Vervolgens heeft de overheid het aantrekkelijk gemaakt voor een schoolverlater om een paar jaar aan de universiteit door te brengen. De politiek wilde wel hoger onderwijs voor velen, maar vergat een structuur te bedenken die het mogelijk maakte om die velen ook met schoolse, goedkope, niet te veel intellectuele inspanning vereisende programma's op te vangen. Nadat de universitaire lammeren eerst in een miserabel bestuurshok waren gedreven, werden ze vervolgens vet gemest met ongezond voedsel. De opzwellende universiteiten hielden hun basisillusie, integratie van onderzoek en onderwijs, krampachtig overeind. De onderzoekskoek moest groter worden met de onderwijskoek. Dat kon natuurlijk niet zonder kwaliteitsverlies en het gevolg was dat er onderzoek voor velen ontstond: middelmatig onderzoek door middelmatige onderzoekers, ondersteund door middelmatige onderzoekers in opleiding. De overheid droeg actief bij aan de marginalisering van de universiteit door een premie te zetten op het aantal studenten. Zo werd de universiteit een produktie-eenheid, waarin aantallen in de plaats kwamen van kwaliteit. De snelle groei ging gepaard met de opbouw van een bureaucratisch apparaat, waarin de kennis van onderzoek en gespecialiseerd onderwijs al gauw moest wedijveren met kennis van beleidsstukken, lobbyprocedures en landelijke politiek. De dag kon niet uitblijven dat de politiek, die verantwoordelijk is voor deze ongelukkige toestand, het overvolle hok met de dikke schapen zou ontdekken en naar het slagersmes zou grijpen. Het risico is daarbij dat dit slagersmes in de praktijk een kaasschaaf wordt en dat daarmee juist het meest geavanceerde onderwijs en onderzoek de diepste sneden krijgt. Dat is onwenselijk, gezien de grote opbrengst van toponderzoek en toponderwijs voor welvaart en cultuur. Wat te doen? Drie jaar geleden heb ik voor minister Ritzen een stukje gemaakt over het weglekken van wetenschappelijk toptalent uit Nederland. Er waren toen in korte tijd vijf goede mensen uit medisch-biologische hoek uit Nederland vertrokken, twee naar Zwitserland, drie naar Amerika, en die heb ik gevraagd waarom ze hun heil in het buitenland hadden gezocht. De antwoorden gaven een informatief overzicht van de zwakke kanten van het Nederlandse onderzoeksbestel. Hier licht ik daar één opmerking uit: 'Nederland is een klein land, ongeveer zo groot als de Bay Area in Californië qua oppervlak en inwonertal. De Bay Area telt drie topuniversiteiten (UC Berkeley, UC San Francisco en Stanford). Daarnaast zijn er een 10 tot 20 colleges. Al het toponderzoek en toponderwijs wordt aan die drie universiteiten gegeven. Het leeuwedeel van de studenten zit op de colleges.' Dat is de kern van het huidige probleem. Nederland telt nu dertien universiteiten, Nijenrode, de Open Universiteit en de beide Theologische Universiteiten niet meegerekend. Kan Nederland dertien topuniversiteiten bemannen (bemensen)? Nee natuurlijk. Talent is schaars. Er zijn maar weinig goede onderzoekers, die in staat zijn om goed onderwijs over ingewikkelde kwesties te geven; en er zijn maar weinig talentvolle studenten aan wie dat onderwijs ook besteed is. Het is een illusie dat in Nederland dertien topuniversiteiten nodig, wenselijk of haalbaar zijn. Als men toch dertien universiteiten overeind houdt en die min of meer gelijk probeert te houden, zijn ze bij definitie alle dertien middelmatig. Dit zijn elementaire waarheden, die al eerder zijn verkondigd, zij het doorgaans wat meer omfloerst. Veel geholpen heeft dat niet. Alle pogingen om differentiatie tussen universiteiten aan te brengen zijn op niets uitgelopen. Onderzoeksinstituten, onderzoeksscholen, voorwaardelijke financiering, uitbreiding tweede geldstroom, het heeft allemaal weinig geholpen. Dat is niet zo verbazingwekkend. Toponderzoek en geavanceerd onderwijs zijn leuk en geven prestige aan een universiteit. Geen van de bestaande universiteiten lijkt de brandende ambitie te hebben om uit te groeien tot een tweede Nijenrode. Integendeel, toponderzoek staat nu hoger op de universitaire prioriteitenlijst dan 20 jaar geleden, toen ik wel eens moeite had om de universitaire bovenbazen van het belang van geavanceerd onderzoek te overtuigen. Ook van de politici valt geen doortastende actie te verwachten. Die willen er liefst nog universiteiten bij, in Leeuwarden, Den Helder, Terneuzen, of waar hun achterban ook zit. Die provinciale universiteiten zullen ook topuniversiteiten moeten zijn, althans die illusie moet niet worden verstoord. De verdelende rechtvaardigheid staat bij politici hoog aangeschreven. Een deltaplan voor de universiteiten, waarbij er drie van hoge dijken worden voorzien en de rest in de uiterwaarden mag opereren, zie ik dus niet komen. Wat dan? Een redelijk alternatief is om het toponderzoek en het daarmee verbonden onderwijs ten dele uit de universiteiten te lichten, zoals in de meeste andere Europese landen is gebeurd. Duitsland heeft zijn Max-Planck Instituten, Frankrijk zijn CNRS en in het vooruitzicht van een toenemende Europese integratie zou het niet onlogisch zijn als in Nederland ook zoiets werd opgezet. Ook dit alternatief is echter niet haalbaar. De universiteiten zijn tegen en de universiteiten zijn machtig in het Nederlandse onderzoeksbestel. Wat kan de overheid dan nog doen om in deze en volgende bezuinigingsronden het toponderzoek overeind te houden? Het antwoord is simpel: versterkte overheveling van onderzoeksgeld van eerste geldstroom (universiteit) naar tweede geldstroom (NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Binnen NWO worden onderzoeksvoorstellen uit het hele land tegenover elkaar afgewogen en beoordeeld door onderzoekers, Nederlandse of buitenlandse. Die organisatie is daarom in de beste positie om onderzoeksgeld naar de beste onderzoekers te sluizen. Ik zeg niet dat dit nu altijd gebeurt, maar NWO is daar toch beter voor geëquipeerd dan de universiteiten. Naarmate universiteiten meer afhankelijk worden van extern onderzoeksgeld, zullen zij hun organisatie meer af moeten stemmen op de verwerving van dat geld. Alleen waar de condities voor toponderzoek goed zijn, zullen onderzoekers die concurrentie aankunnen. Uiteraard zal dan de universitaire bestuursstructuur moeten worden aangepast. Als met minder geld betere condities voor toponderzoek moeten worden geschapen, zal dat een vergaande differentiatie in opleidingen vragen, waarbij een deel van de opleidingen tot HBO niveau wordt teruggeschroefd. Dat zal pijn doen en bestuurskracht vragen. Ik wil niet suggereren dat die nu ontbreekt - de universiteiten roeien vaak opmerkelijk snel met de krakkemikkige riemen die de overheid heeft geleverd - maar betere riemen zouden geen overbodige luxe zijn. Ook zou NWO een onafhankelijker positie moeten krijgen, losser van de universiteiten. Nu gebeurt het nog te vaak dat de universiteiten bevoordeeld worden ten opzichte van extra-universitaire instituten bij financiering van onderzoek. Daar is geen reden voor. NWO zou het beste non-profit onderzoek moeten steunen, ongeacht waar, ook als dat betekent dat het toponderzoek meer en meer op een beperkt aantal plaatsen wordt geconcentreerd. Een overheveling van geld van universiteit naar NWO beschermt wel het toponderzoek, maar ideaal is deze oplossing niet. Door concurrentie ontstaan wel meer speerpunten en beperkte concentraties van talent, zoals ook nu al aanwezig zijn, maar niet makkelijk faculteiten die over de hele linie sterk zijn, zoals in Stanford, Harvard, of MIT. Een echte topuniversiteit ontstaat alleen door concentratie van talent op een breed gebied. Anders blijft het bij incidentele hollers, die rap vooruit pogen te komen in een stroperige massa wandelaars. Toch zal een hoge premie op toponderzoek op langere termijn ook de noodzakelijke vorming van een beperkt aantal topuniversiteiten kunnen helpen bevorderen. Talent klit en als de overheid betere condities voor concentratie van talent schept, zullen die concentraties ook op grotere schaal ontstaan dan nu het geval is. Als het proces eenmaal op gang komt, wordt het gauw onomkeerbaar. Nu is er weinig reden voor een hoogleraar om van universiteit A naar universiteit B te verhuizen. De horizontale mobiliteit is in Nederland laag, vergeleken met landen als Amerika. Als universiteit B echter betere onderzoeksmogelijkheden en betere mogelijkheden voor lokale samenwerking met andere toppers kan bieden, verhuist die professor straks wel. Nu blijft een promovendus in dorp A, omdat de 30 km naar stad B een onoverkomelijke stap lijkt, maar als eenmaal blijkt dat de zware opleiding in B meer toekomstmogelijkheden biedt dan de middelmatige in A, zullen ook de goede promovendi gaan verkassen. Zo zullen de beste onderzoekers en de beste onderzoekers-in-opleiding elkaar vinden in een kleine eredivisie van het Nederlandse onderzoek. De toponderzoeker is een bedreigde diersoort met grote culturele en economische waarde. Die kwetsbare dieren gedijen het beste, samen met soortgenoten, in aparte reservaten met een minimum aan beperkingen en bureaucratie, alleen in toom gehouden door een scherpe kwaliteitsbewaking en bestuurd door mensen, die zelf genoeg in het onderzoek gepresteerd hebben om door toponderzoekers au sérieux genomen te worden. Het is een nationaal belang dat die reservaten beschermd en vergroot worden en niet door de massificatie van het hoger onderwijs onder de voet worden gelopen.