Zuid-Afrika tobt met Mossgas, witte olifant van de apartheid

Het idee was mooi en technisch imposant. Het gas komt uit zee en wordt aan land in een raffinaderij omgezet in benzine voor auto's en een aantal bijprodukten. Zo zou Zuid-Afrika's apartheidsbewind de olieboycot weerstaan. De wereld had het nakijken.

Nu staat Mossgas, het idee in praktijk, aan de toeristische Tuinroete 390 kilometer ten oosten van Kaapstad te blinken in de zon. Niet als technologisch hoogstandje, maar als het mislukte droomkasteel van de apartheid. De tanks, torens en honderden kilometers buizenspaghetti vormen de grootste industriële flop uit de Zuidafrikaanse geschiedenis. Van de investering van 11 miljard rand (5,5 mld gulden volgens de huidige wisselkoers, in werkelijkheid meer dan zeven miljard gulden) zal de staat als eigenaar niets terugzien. En als de regering-Mandela of privé-investeerders niet snel met honderden miljoenen te hulp schieten, wacht de raffinaderij die pas twee jaar in produktie is op korte termijn een roestige toekomst.

Mossgass is in Zuid-Afrika het industrieel symbool geworden voor een politiek systeem dat zichzelf in stand wilde houden, wat het ook kostte. Critici die jarenlang de regering waarschuwden noemen het “een witte olifant” - een megaproject dat nooit kon slagen. De kosten - bij het bouwbesluit in 1987 geraamd op 5,5 miljard rand - liepen volstrekt uit de hand. De gasvoorraad voor de kust van het stadje Mosselbaai bleek zeer optimistisch berekend - en daarmee de levensduur van het project. De olieprijs daalde en synthethische benzine was conomisch geen alternatief. En nu Zuid-Afrika verlost is van de apartheid kan het op de wereldmarkt goedkoper ruwe olie kopen.

Het besluit van de regering van president P.W. Botha om Mossgas te bouwen was bedoeld om minder afhankelijk te worden van geïmporteerde olie. De olieboycot maakte het steeds moeilijker en duurder om ruwe olie te kopen in het buitenland. Omdat olie een van de weinige rijkdommen is die Zuid-Afrika niet zelf in de grond heeft, moest brandstof worden gewonnen uit kolen, geproduceerd door het staatsbedrijf Sasol, en uit gas. Zeven jaar later wordt het project door de nieuwe regering beoordeeld op winstgevendheid. Dan scoort Mossgas laag. “Mossgas was gebouwd om strategische redenen, nooit vanuit een commercieel motief. Je zou vandaag de dag niet dezelfde beslissing nemen”, geeft directeur John Theo toe.

De ANC-regering zit met Mossgas in haar maag. Onlangs vroeg het bedrijf het kabinet om een nieuwe financiële injectie van 600 miljoen rand (300 miljoen gulden) om meer gas uit het huidige veld te kunnen putten en een naastliggend veld te ontwikkelen. Dat zou het leven van het project verlengen tot 2001. Als het niet gebeurt, is het gas over twee jaar op en moet de fabriek dicht. Er gaan stemmen op om de elf miljard belastinggeld maar te beschouwen als in zee gegooid en het Mossgas-fiasco bij te schrijven in het grote boek van Zuidafrikaanse absurditeiten. Maar Mossgas biedt direct werk aan 1.400 mensen en indirect aan 10.000 mensen. Als de investering niet wordt meegeteld, maakte het bedrijf in zijn eerste boekjaar een bescheiden winst van 160 miljoen rand.

De redding komt mogelijk uit Taiwan, een van de weinige landen die Zuid-Afrika in de apartheidsjaren steunden. Minister Pik Botha (energie en mineralen) maakte vorige maand bekend dat Taiwanese investeerders uit de olie- en chemische industrie geïnteresseerd zijn in overname van Mossgas. Het bedrijf zou de kern moeten worden van een nieuwe petrochemische industrie van 'massale en dramatische' omvang voor Zuid-Afrika: een raffinaderij, een fabriek voor synthetische vezels en polyester, en fabrieken voor de produktie van plastic- en vezelmaterialen (zoals voor kleding, autobumpers en verpakkingsmateriaal).

De investering van acht miljard rand, een ongekend bedrag voor Zuid-Afrika, zou volgens de Taiwanezen zeven procent uitmaken van het bruto nationaal produkt en op den duur 400.000 banen opleveren. In een land waar de werkloosheid onder de zwarte bevolking bijna vijftig procent bedraagt en grote investeringen onmisbaar zijn voor het aanzwengelen van economische groei, kneep menigeen zich in de arm. Een gezamenlijke werkgroep van de Zuidafrikaanse regering en de potentiële investeerders bestudeert nu of het plan haalbaar is.

Daarbij komt ook de mogelijke adder onder het gras aan de orde: de Taiwanezen zouden volgens kranten eisen dat de militante vakbonden buiten de fabriekspoort blijven om arbeidsonrust te voorkomen. Voor de vakbeweging Cosatu, nauw verbonden aan het ANC, lijkt dat bij voorbaat onaanvaardbaar. “Zo'n no unions-clausule lijkt me onmogelijk”, zei een ANC-minister onlangs desgevraagd. “Wie hier de vakbonden buiten de deur wil houden, begrijpt de recente geschiedenis van dit land niet”. De privatisering van Mossgas is voor de regering echter een aantrekkelijke manier om van een zeurend probleem af te komen en brengt nog iets van de investering terug in de staatskas.

Mossgas bestaat uit twee delen: een off-shore platform 85 kilometer van de kust voor de gasboringen - 2500 meter onder de zeebodem - en een fabriek aan land waar het gas via buizen binnenkomt. Daar wordt het omgezet in benzine, diesel, kerosine en LPG. Mossgas produceert 30.000 vaten per dag. Het bijprodukt alcohol wordt geëxporteerd naar Brazilië. De oliemaatschappijen zorgen voor de distributie van de benzine binnenslands. Een zeer hoog aandeel van Zuid-Afrika's verbruik aan transportbrandstof, 50 procent, is synthetische brandstof, inclusief de benzine uit kolen van Sasol. Van die 50 procent is ruim een zesde, acht procent, afkomstig van Mossgas.

Tegen extra hoge prijzen moest Zuid-Afrika eind jaren tachtig als paria-land op de wereldmarkt materiaal en instrumenten voor de bouw van Mossgas kopen. De kosten waren vrijwel oncontroleerbaar, omdat een ondoorzichtig netwerk van aannemers en onderaannemers bij de bouw betrokken was. Bovendien had Zuid-Afrika de hulp van buitenlandse deskundigen nodig, die zich tegen exorbitant hoge salarissen lieten inhuren. De kosten rezen tot astronomische hoogte. De Nationale Partij-regering, die het project lange tijd had verdedigd, moest uiteindelijk in de woorden van de staatssecretaris van financiën Alant nog voor de opening toegeven dat Mossgas een 'slechte investering' was: “We hadden veel meer kunnen doen met de miljoenen die we eraan hebben besteed”.

Toen de fabriek in januari 1993 in produktie ging, was al duidelijk dat de investering verloren was. Kwetsbare factoren als de lage olieprijs en de dollar-rand-verhouding werkten tegen, en Mossgas moest de verwachting over de gasvoorraad bijstellen. Er is niet voor 25 jaar gas onder de zeebodem, maar slechts voor 12 jaar. “Mij is verteld dat je pas als je een tijdje in produktie bent meer accuraat kunt calculeren hoeveel gas je kunt winnen”, legt directeur John Theo uit.

Wat overblijft, zijn de 'als'-argumenten. Als de olieprijs 35 dollar per vat zou bedragen, zoals in 1987 werd voorspeld, zou Mossgas zijn geslaagd. Als de fabriek groter was, had Mossgas een succes kunnen worden. John Theo: “Het concept zou onder zekere omstandigheden wel degelijk hebben kunnen werken. Als je een fabriek als Mossgas drie keer zo groot bouwt op een heel groot on shore gasveld, dan zou het commercieel haalbaar kunnen zijn. Als je dan op de wereldmarkt concurrerende prijzen kunt bedingen voor je materiaal, haal je je investering er redelijk uit. En als de voorspellingen van destijds over de olieprijs waren uitgekomen, zouden we de meest winstgevende fabriek van het land zijn geweest. Het enige probleem zou dan geweest zijn dat we niet genoeg gas hebben”.

De directie werkt nu aan een plan om de installatie aan land om te bouwen tot een methanol-raffinaderij. Twee-derde van de installatie die daarvoor nodig is. ligt er al. Theo verwacht, gezien de hoge prijs voor methanol, kapitaal uit de private sector te kunnen aantrekken. “Als je Mossgas vandaag privatiseert, zal het waarschijnlijk niet veel waard zijn. Maar als het een methanol-fabriek is die geld oplevert, wordt het veel gemakkelijker. Ons plan zou de eerste fase kunnen zijn in dat van de Taiwanezen, het geeft Mossgas een toegevoegde waarde, Zuid-Afrika kan doorgaan met een petrochemische industrie en we behouden de werkgelegenheid voor zeker dertig jaar. Dan hebben we een winstgevende private onderneming, waar Zuidafrikanen trots op kunnen zijn”. Het is opnieuw een verleidelijk idee: de grootste economische blunder uit het verleden als basis voor nieuwe economische voorspoed. Veel Zuidafrikanen zullen het met moeite geloven. Mossgas heeft voorlopig meer mooie beloften dan goedkope benzine geleverd.