Naar een solidaire verzekeringsstaat

De verzorgingsstaat wordt sluipenderwijs uitgekleed tot een kil ministelsel. Dat mogen sociaal- en christen-democraten volgens Tom van der Lee en Paul Rosenmöller niet zonder weerwerk laten passeren. Zij dringen aan op spoedig debat over een 'solidaire verzekeringsstaat'.

De gouden randen aan onze verzorgingsstaat zijn zo goed als verdwenen. De steigers rondom de verzorgingsstaat zijn eigenlijk nooit weggehaald. Na de periode van opbouw en een tijdelijke stabilisatie heeft sinds het befaamde Bestek '81 een voortdurend hervormingsproces plaatsgevonden.

Op het terrein van welzijn, volksgezondheid, onderwijs, huisvesting en sociale zekerheid wordt nu steeds meer gekozen voor een combinatie van basisvoorzieningen en eigen verantwoordelijkheid. Over de precieze inhoud van de basisvoorzieningen bestaan nog meningsverschillen, maar over de principiële combinatie van een door de overheid gegarandeerd basispakket en het zelf bijverzekeren zijn steeds meer partijen het eens. Wij leven dan ook in een tijd waarin de verzorgingsstaat wordt omgebouwd tot wat wij een verzekeringsstaat zouden willen noemen.

De socioloog Kees Schuyt heeft gewezen op de ironische ontknoping die de ontwikkeling van de verzorgingsstaat daarmee krijgt. Terwijl de verzorgingsstaat gegrondvest is op basis van sociaal-democratische solidariteit en christelijke naastenliefde heeft hij - mischien door zijn succes - mede geleid tot een sterk individualistische en liberale moraal van de autonome burger. De vraag die hier volgens Schuyt uit volgt is of deze ontwikkeling tot een ondermijning van de oorspronkelijke solidariteit leidt, of juist tot een nieuwe interpretatie ervan, waarin naast solidaire elementen nu ook autonome elementen als eigen verantwoordelijkheid en eigen risico's een plaats krijgen.

Over de kansen voor een nieuwe interpretatie van de oorspronkelijke solidariteit is Schuyt vervolgens nogal somber. Hij wijst er terecht op dat je jezelf alleen voldoende kunt bijverzekeren (naast een door de staat gegarandeerd basispakket) als je ook de kans krijgt een eigen inkomen door arbeid te verwerven. De hamvraag is dan ook: Kan een daadwerkelijke vernieuwing van solidariteit, in de vorm van een solidaire verzekeringsstaat, alleen plaatsvinden wanneer volledige werkgelegenheid is bereikt, of kan de politiek een alternatieve weg vinden?

Voor de beantwoording is het goed het programma te bekijken van de partij die het meest aandringt op een snelle omzetting van de verzorgingsstaat in een (kille) verzekeringsstaat: de VVD. Deze partij schetst in haar bondige programma de contouren van een verzekeringsstaat, waarvan het hart wordt gevormd door een ministelsel in de sociale zekerheid. De opbrengst van de introductie van een ministelsel, tezamen met bezuinigingen op onder andere onderwijs, volksgezondheid, volkshuisvesting en welzijn, wordt ingezet voor lastenverlichting. Dit zou op lange termijn een forse daling van de werkloosheid opleveren. Maar deze daling is niet fors genoeg, want uiteindelijk (na ten minste 12 jaar) zou de werkloosheid in het gunstigste geval hooguit halveren. Aan de belangrijkste voorwaarde voor een solidaire verzekeringsstaat, een inkomen uit arbeid voor iedereen, wordt dus niet voldaan.

Maar stel dat het wel lukt om ver in de 21ste eeuw aan deze voorwaarde te voldoen, wat gebeurt er dan met hen die in de lange overgangsfase langs de kant staan of komen te staan? Zij hebben dan geen middelen om de eigen zelfstandigheid en de eigen verantwoordelijkheid vorm te geven. Wie verzekert hun risico's bij? Op deze vragen hebben wij nog nooit een antwoord gehad. Zo ontstaat gauw de verdenking dat een pleidooi voor een ministelsel een verhulde vorm van bezuinigen is. Vast staat in ieder geval dat het een miskenning is van de historische en culturele ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan de verzorgingsstaat. Het is uiteindelijk een keuze voor een kille in plaats van de door ons gewenste solidaire verzekeringsstaat.

Valt er vanuit de historische en culturele basis van de verzorgingsstaat - de sociaaldemocratische solidariteit en christelijke naastenliefde - nog weerwerk te verwachten tegen een plompverloren introductie van een harde verzekeringsstaat? En is dat niet veel moeilijker nu een 'paars' kabinet aan de macht is? Wij verwachten wel degelijk een substantiële inbreng van beide politieke stromingen. De beste kapstok daarvoor is een spoedig debat over de gewenste uitgangspunten van een solidaire verzekeringsstaat.

Een eerste uitgangspunt moet zijn dat de “bestaande gevallen” worden ontzien. Daarnaast zou in principe ieder nieuw (verzekerings-)stelsel cohortsgewijs moeten worden ingevoerd. Door een nieuw stelsel in te voeren voor de jongste leeftijdsgroepen en langzaam uit te breiden naar oudere leeftijdsgroepen kan immers een betere gewenning aan verzelfstandiging en nieuwe vormen van eigen verantwoordelijkheid ontstaan.

Verdere uitgangspunten voor een solidaire verzekeringsstaat kunnen de volgende zijn. Ten eerste moet een basisverzekering, waarvoor de overheid garant staat, een volwaardige verzekering zijn. Dat wil zeggen dat de hoeveelheid risico's die bijverzekerd moet worden niet te groot mag zijn, zodat mensen niet onder het bestaansminimum worden gedrukt.

Ten tweede ligt het in de rede dat particulier onverzekerbare risico's (zoals bijvoorbeeld werkloosheid) een verantwoordelijkheid van de staat blijven.

Een derde uitgangspunt moet zijn dat voorkomen moet worden dat er een categorie 'onverzekerden' (ten aanzien van het aanvullend bijverzekeren) ontstaat. Natuurlijk moet keuzevrijheid voorop blijven staan. Maar het mag niet zo zijn dat deze vrijheid alleen voor draagkrachtige burgers inhoud krijgt en dat minder draagkrachtigen worden gedwongen te kiezen voor meer risico omdat zij de extra premie niet kunnen betalen. Dit betekent dat naast een goede basisverzekering ook een flankerend inkomensbeleid noodzakelijk is.

Ten vierde is het belangrijk een te scherpe risicoselectie door particuliere verzekeraars te voorkomen. Dit kan als de overheid polisvoorwaarden stelt of de privatisering beperkt.

Tenslotte dienen de nieuwe stelsels zó ingericht te worden, dat de lasten (de collectieve en particuliere premies tezamen) verlaagd kunnen worden.

Bij deze uitgangspunten houdt ons denken niet op. Immers, de onderlinge afstemming van de geformuleerde uitgangspunten is niet in een vloek en een zucht geregeld. Boeiend is tevens de vraag of binnen het concept van een solidaire verzekeringsstaat niet ook de introductie van een basisinkomen (of negatieve inkomstenbelasting) past. Essentieel is wel dat de discussie over een solidaire verzekeringsstaat nú gevoerd moet worden en niet pas nadat een ministelsel sluipenderwijs tot stand is gekomen. Met het huidige 'paarse' beleid zijn we al hard op weg naar zo'n stelsel.

Is het politieke tij wel gunstig voor een dergelijke discussie? Het Regeerakkoord bepaalt dat in de zomer van 1996 een tussenstand wordt opgemaakt van het sociale zekerheidsbeleid. Dan zou ook “een open afweging van de beleidsopties aan de orde kunnen zijn”. Een solidaire verzekeringsstaat is zo'n optie, waarvoor een kabinet - met een progressieve meerderheid van PvdA en D66 - toch gevoelig zou moeten zijn? Zeker als het CDA er in slaagt het zo begeerde sociale gezicht wat meer inhoud te geven. Bovendien zit de economische ontwikkeling mee.

De sterke economische groei kan echter, in tegenstelling tot wat logisch lijkt, ook een tijdbom onder de 'paarse' coalitie worden. Want wanneer de financieel-economische doelstellingen uit het Regeerakkoord voortijdig worden gerealiseerd, kan dit met name VVD en PvdA van elkaar vervreemden. Dan zal er een strijd ontbranden over de vraag wat prioriteit verdient: Meer lastenverlichting (VVD), verdere verlaging van het financieringstekort (VVD en vooral D66) of meer collectieve investeringen en uitgaven voor het scheppen van werk (PvdA)?

Impliciet gaat deze strijd vooral om de vraag of het tempo waarin nu een ministelsel gestalte krijgt, wordt voortgezet. De politieke ruimte die hiervoor ontstaat, moet worden benut voor het uitwerken van een solidaire verzekeringsstaat. Dan kan in de zomer van 1996 recht worden gedaan aan de sterk ontwikkelde individualistische en liberale moraal van de burger onder een gelijktijdige vernieuwing van de solidariteit.