Lijden inspireert het Christusbeeld in late 20ste eeuw

Tentoonstelling: Jezus is boos. Het beeld van Christus in de hedendaagse kunst. T/m 19/3 in Museum De Wieger, Oude Liesselseweg 29, Deurne. Catalogus ƒ 35,-. Vanaf 8/4 in Museum Catharijneconvent, Utrecht

Het beeld van Christus ontbreekt niet in de moderne kunst. Maar in de twintigste eeuw is het optreden van Jezus veel minder frequent geworden, terwijl ook de verschraling van zijn rol opvalt. Zo is de crucifix op de tentoonstelling Jezus is boos in Museum De Wieger in Deurne verreweg het meest gebruikte symbool. Voor de hedendaagse kunstenaar blijkt het lijden van Christus de belangrijkste inspiratiebron. Andere episodes uit het leven van Jezus zoals de Geboorte of de Madonna met kind, de Opwekking van Lazarus of het Laatste Oordeel treft men in Deurne niet aan.

Wel zijn het Laatste Avondmaal en de Kruisafneming een paar maal afgebeeld. Verder hangt er van Charlotte Mutsaers een sterke, middeleeuws aandoende Piëta en Hans van Hoek schilderde naar een voorbeeld van Titiaan een klassieke Doop in de Jordaan. De titel van de tentoonstelling is ontleend aan een tekening van Marlene Dumas met een ongebruikelijk motief: Jezus met een kwaaie kop.

Is de reductie van de thematiek nog wel begrijpelijk, storender zijn de formele clichés waarmee dit vaak gepaard gaat, zoals zwaar aangezette expressionistische vormen met veel zwart, bloedrood en verbrand hout. Om hier aan te ontkomen neemt een aantal kunstenaars zijn toevlucht tot banale beeldvondsten zoals Jezus die zich aan een kleerhanger vastklampt (Hans Kanters), een stadsplan met op ieder kruispunt een Christusfiguur (Flop Vinken) of een Avondmaal naar Leonardo da Vinci met uitsluitend vrouwen aan tafel (Annetta Willemse). Het stemt treurig als je deze schilderijen vergelijkt met een schitterend werk van Max Ernst uit 1926 waarop Maria het Christuskind een flink pak slaag geeft onder het toeziend oog van de schilder zelf en zijn surrealistische vrienden André Breton en Paul Eluard. (Ernst werd bijna om zijn 'stoute Jezus' geëxcommuniceerd.)

Een andere categorie vormen kunstenaars als Alexander Schabracq, Rob Scholte en Jacques Frenken die met commerciële kitschbeelden doelbewust willen provoceren. Schabracq plaatste Jezus boven op Flipje van Tiel en Frenken schilderde over een neo-gotische crucifix een schietschijf. Jezus als mikpunt van ieders spot en wanhoop. Frenken's beeld dat uit de tijd van de pop art stamt, werd toen als blasfemisch beschouwd. Om het bijna dertig jaar later te bestempelen als een 'intensivering van onophoudelijk en universeel leed' zoals in de catalogus gebeurt, gaat nogal ver. Symboliek en uitvoering zijn kunsthistorisch gezien zo afgetrapt dat het beeld onmogelijk dergelijke gevoelens bij de beschouwer kan oproepen.

Slechts enkelen slagen er in om overbekende beelden in een persoonlijke vormentaal te integreren. Zo reist op een van de tekeningen van Paul Klemann een reusachtige crucifix mee in de trein zonder dat de passagiers er acht op slaan. Otto Egberts tekende een fragment dat door zijn hulpeloosheid ontroert: de knieën van Jezus bedekt met een witte doek. Bij Henk Visch wordt het lijden voelbaar gemaakt door een beschadigde Christusfiguur die bijna vermorzeld wordt tussen twee wagenwielen. How beautiful this must appear to him who understands it, is de dubbelzinnig titel van dit beeld uit 1986. Ook de Ecce homo van Marc Mulders is voor meer dan één uitleg vatbaar. De hoofdfiguur van zijn schilderij is niet Jezus die wordt beschimpt, maar het lijk van de misdadiger uit Rembrandts De anatomische les van Dr. Deyman.

De tentoonstelling Jezus is boos kwam tot stand in samenwerking met Museum Het Catharijneconvent in Utrecht en het Instituut voor Liturgiewetenschap van de Rijksuniversiteit Groningen. De wisselende kwaliteit van de werken op de expositie toont aan dat oprechte (en minder oprechte) religieuze gevoelens beslist geen garantie zijn voor een geslaagd kunstwerk. Wat dat betreft is museumbezoek, anders dan soms wordt beweerd, geen vervanging voor een zondagse kerkgang.