Conny Janssen blijkt opnieuw een inventief choreografisch talent

Gezelschap: Conny Janssen danst... mee. Choreografieën: Conny Janssen. Toneelbeeld: Herbert Janse. Licht: Ron Straatman. Kostuums: atelier Van de Berg en De Raad. Manners, muziek: Antonio Vivaldi. When most I wink, then do mine eyes best see, muziek: collage. Gezien 7/2, Rotterdam, Schouwburg. Tournee t/m 29 april.

Na haar bijzonder succesvolle ad-hoc produktie Eloï, Eloï, waarmee in het seizoen 1991/92 door het land werd getrokken, besloot de choreografe en ex-Djazzexdanseres Conny Janssen een eigen gezelschap op te richten. Het kreeg de naam Conny Janssen danst... mee. Het eerste programma werd zó positief ontvangen door publiek en pers, dat het tweede al bij voorbaat op een flink afzetgebied kon rekenen.

Het in Janssen gestelde vertrouwen blijkt opnieuw geheel terecht te zijn. Ook het nu in première gebrachte derde programma getuigt van integer, inventief talent. Nieuw in de voorstelling is het mannenkwartet Manners en het langere, door de gehele groep van negen dansers uitgevoerde When most I wink, then do mine eyes best see.

Manners, waarin Janssen het mannengedrag op de korrel neemt, is spiritueel, raak getroffen en combineert prachtig een zelfbewust, stoer voorkomen met een kwetsbare onzekerheid. De heren presenteren zich als ware Venetiaanse Doges. Trots, voornaam, behangen met zwaar fluweel, het hoofd bekroond met een grote gedrapeerde hoed. Als geroutineerde strippers geven ze steeds ietsje meer van hun lichaam bloot, maar het blijft allemaal keurig. De aandacht wordt met name gevestigd op de spieren van rug, borst en armen. Het zijn vier body-builders die elkaar trachten te overtroeven.

Hoe kwetsbaar dat vertoon van krachtpatserij is, wordt duidelijk uit het feit dat de mannen steeds aarzelen om zelfstandig initiatieven te nemen. Ze blijven quasi onverschillig afwachten wat de ander zal gaan doen. Het komt wel tot individuele acties maar het veilige jongens onder elkaar gevoel wordt toch het meest gezocht.

Conny Janssen vond voor Manners boeiende, vaak heel verrassende bewegingen, fraai in ruimte en tijd gezet en in fantasierijke structuren gegoten. De uitvoering door Renato Bertolino, Paulo Moura, Karim Raïhani en Elliot Treend was voortrefelijk.

Manners completeerde in dit programma prachtig de reprise van het vorig jaar gemaakte vrouwenkwartet The Unanswered Question, dat ook nu weer door Juliette van Ingen, Andrea Frangenberg, Annemiek Mellink en Desiree Schneider met precies de juiste dramatische geladenheid en bewegingskwaliteit werd gedanst.

Minder gelukkig was ik met het nieuwe groepswerk When most I wink, then mine eyes best see (een citaat van William Shakespeare), ook al doet het prachtige bewegingsmateriaal, dat vloeiend, sterk, harmonisch, grillig en onvoorspelbaar is, heel natuurlijk aan en laat het met een weldadige vanzelfsprekendheid allerlei elementen uit verschillende dansstijlen samensmelten. Sterk is de verwerking van het thema 'enkeling tegenover groep', door de wijze waarop en uitgestoten vrouw haar underdog-positie weet om te buigen naar een leidersfunctie. Ook het terugkerend statement dat niemands positie vast staat komt goed uit de verf.

De zwakheid van het stuk ligt in de lengte, in het gemis aan een sterke opbouw en de muziekcollage die meer variatie suggereert dan er te zien is. Het werk is volgens het programmaboekje ontstaan via een andere dan tot nu toe gebruikte werkwijze, met persoolijke bijdragen van de dansers. Dat mag in de studio tot interessante ervaringen hebben geleid, voor het eindprodukt is het minder positief gebleken. Connie Janssen moet maar weer gewoon zelf de touwtjes in handen nemen, op haar eigen talent vertrouwen en flink in het bijgedragen bewegingsmateriaal durven kappen.

En, oh, mag er weer wat 'gewoon' licht bij dansvoorstellingen worden gebruikt in plaats van die sfeervolle schemer die nu zoveel van dans en dansers onzichtbaar maakt?