Muziek vormt redding van plompe bewerking Tsjechov

Voorstelling: Tranen die de wereld niet ziet, 400 verhalen van Anton Tsjechov door 't Bos Theaterprodukties. Bewerking en regie: Margrith Vrenegoor; muzikale adviezen: Willem Breuker; spelers: Arie Kant, Yardeen Roos e.a. Gezien 3/2 Stadsschouwburg, Utrecht. Tournee t/m 28/4.

Alsof de Gijsbreght van Aemstel al niet een hoger dan hoog gegrepen onderneming was, doet regisseur Margrith Vrenegoor nu een voorstelling waarin, binnen het tijdsbestek van zeven kwartier, alle vierhonderd verhalen van Anton Tsjechov worden getoond. Tranen die de wereld niet ziet heet de voorstelling. Uiteindelijk bleken er dan twintig verhalen over te blijven, maar toch, die vierhonderd, gauw rond de duizend bladzijden dundruk, bleven in mijn hoofd gonzen. Megalomanie of dartele theatrale overmoed? Eerbetoon aan de Russische meester of doodsteek? De rechtgeaarde Tsjechov-lezer is er natuurlijk van overtuigd dat het een doodsteek is, maar laten we niet meteen de lezer laten zegevieren over de toeschouwer en eens zien wat er te zien en te beluisteren viel.

Twee actrices, twee acteurs en vier muzikanten begeven zich op de speelvloer. Het decor is op on-Russische wijze zuiver wit, en dus niet grauw of groezelig. De muziek, gecomponeerd door Willem Breuker, is een vrolijke potpourri van Cole Porter, Mozart (veel Mozart), Saint-Saëns en Breuker zelf. Niet bepaald muziek die je associeert met Tsjechov; zelfs een flardje Tsjaikovksi kon er niet vanaf. Witte stoelen vormen een sta-in-de-weg. Tussen die stoelen door dansen de actrices veelvuldig met elkaar, terwijl een van de beide mannen een doorgaans stoer mannenverhaal vertelt, dat betekent vol van grofheden aan het adres van vrouwen. Domme wezens, ijdel, verstand in d'r kleine teen of nog erger (maar dat zegt Tsjechov niet), wispelturig enzovoort. Tussen haakjes: de mannen bij de première moesten erom lachen - helaas, ook dom. De vrouwen zwegen besmuikt - terecht. Op de blote rug van een van de actrices speelt, of eigenlijk playbackt, een muzikant met cello het onsterfelijk-droefgeestige 'Le Cygne' uit Le Carnaval des Animaux van Saint-Saëns. De vrouw dus als hol muziekinstrument; alleen de strijkstok van de man kan haar tot zingen brengen. Hierbij kom ik, wat de vorm betreft, meteen tot de kern van de voorstelling: de muziek vormde de redding.

De voorstelling raast door Tsjechovs verhalen heen zoals een haastig iemand door een drukke winkelstraat gaat: je raakt schouders en bovenarmen aan, maar niemand raak je echt aan. Aan vierhonderd mensen ga je voorbij, geen die beklijft. Ik herkende De dame met het hondje, ook al eens verfilmd als Oci ciornie (Zwarte ogen), uit Margrith Vrenegoors Tsjechovstraat. Verder kwam ik nauwelijks, daarvoor waren fragmenten te kort. Aan compositie en dosering van de scènes is niet gedacht. In de meeste gevallen koos de bewerkster de kant-en-klare dialogen uit de verhalen, die dan als een toneelstukje werden opgevoerd. De huilende gravin die een aria zingt uit Mozarts Nozze di Figaro mag dan hilarisch zijn door de kunsttranen die ze uit een buisje knijpt, ik voelde me ver verwijderd van Tsjechov. Liepen de acteurs met veel te plompe stem en mimiek herhaaldelijk vast in de tekst, de actrices hielden onder elkaar een wedstrijdje hysterie. Wat zij kennelijk als hoge acteerkunst beschouwden, het Grote Toneel met het Grote Gebaar, werkte eerder als kitsch. Tsjechov toont nooit, noch in zijn verhalen noch op het toneel, slechts één kant van het personage; altijd tempert hij uitbundigheid met droefenis, en droefenis scherpt hij aan met joligheid. Die nuanceringen brengt hij, als toetsen, aan in bijzinnen en terzijdes. Hier werd elk personage tot een platitude, zonder een zweem van diepere gevoelens achter de getoonde gevoelens en zonder het intrigerende geheim van onuitgesproken gedachten. Je zou er bijna om gaan huilen, om zo'n Tsjechov, in de hoop dat de hele wereld bij de uitgang van de schouwburg je tranen ziet.