De paniek van een adoptiekind

We weten zo weinig van Lee. Te weinig in ieder geval om te kunnen vaststellen wat er in hem omging toen hij op 22 juni 1994 zijn moeder doodde.

We weten nog niet eens zijn geboortedatum.

Volgens een weeshuis in Seoel is hij van 25 december 1975, maar dat zegt niet alles. Lee zou bijna vier jaar zijn geweest toen hij vanuit Zuid-Korea in Nederland arriveerde. Hij was in slechte conditie, hij had brandwonden, tuberculose en hij was ondervoed: op straat zocht hij die eerste dagen naar alles wat eetbaar was, zelfs een duif was niet veilig voor hem.

Wat heeft hij de eerste vier jaar van zijn leven allemaal meegemaakt?

We weten het niet.

Hij moet geestelijk zwaar beschadigd uit zijn kleuterjaren te voorschijn zijn gekomen. 'Ernstige stoornissen in zijn persoonlijkheid', luidt de diagnose van het Pieter Baan Centrum. Men acht hem dan ook 'sterk verminderd toerekeningsvatbaar'.

Lee kwam in 1979 in een Nederlands gezin terecht. Zijn ouders waren idealistische mensen: ze hadden, naast hun drie eigen kinderen, vier adoptiekinderen. In de loop van de jaren ontpopte Lee zich als een moeilijke, op den duur bijna onhandelbare jongen. Eenmaal op de middelbare school ging het het helemaal mis met hem. Hij heeft een uitstekend verstand, maar hij spijbelde regelmatig, gebruikte veel soft drugs en stal thuis geld.

Hij bleef zitten in VWO 3, haalde het evenmin op de HAVO en moest uiteindelijk genoegen nemen met het MAVO-diploma. Op school was hij een zeer verlegen jongen, iemand zonder zelfvertrouwen. Hij had geen vrienden en hij raakte ook in het gezin steeds geïsoleerder. Zijn ouders probeerden tevergeefs geestelijk contact met hem te krijgen.

“Een van je problemen is dat je je niet kunt uiten”, zegt mevrouw mr. E. Timmermans, de voorzittende rechter van de meervoudige Haagse strafkamer, tegen Lee. “Als je gezegd had wat je dwarszit, had dit misschien voorkomen kunnen worden.”

Lee, netjes gekleed in trui en lichte broek, blijft wezenloos voor zich uitkijken. Het contact met zijn rechters zal niet veel anders verlopen dan dat met zijn ouders, zijn hulpverleners, zijn advocate. Zijn antwoorden bevatten vaak niet meer dan drie, vier woorden.

Moeizaam neemt de rechter de fatale gebeurtenissen van 22 juni met hem door. Hij kreeg met zijn moeder ruzie over het feit dat hij zijn schoolboeken nog niet had teruggebracht. Ze bood aan ze samen met hem terug te brengen. “Nee, ik ga alleen”, zei Lee. Zijn moeder vertrouwde het niet en bracht ze toch zelf weg.

“Wat ging er toen in jou om?” vraagt de rechter.

Stilte. Dan, toonloos: “Ik was boos.”

“En je wilde weglopen.”

“Ja.”

“Er was al sprake van dat je het huis uit zou moeten. Daarvoor had je geld nodig. Je bent de tuin ingelopen. Wat heb je daar gedaan?”

“Een baksteen gepakt.”

“Waarom?”

“Om haar bewusteloos te slaan.”

“Je wilde er met haar portemonnee vandoor.”

“Ja.”

Lee's ouders hadden enkele weken eerder zijn weekendtas gepakt met de mededeling dat hij naar het JAC zou moeten als hij zich bleef misdragen. In de tas had zijn moeder ook een brief gestopt. Daarin schreef ze dat Lee thuis altijd welkom was mits hij zich aan de huisregels hield.

Toen zijn moeder die middag van school thuiskwam, zei ze hem dat de maat vol was. Ze liep naar boven om de kleren van Lee terug te stoppen in zijn tas. Hij had de tas in de dagen daarvoor langzaam leeg gemaakt, want het vooruitzicht van het JAC joeg hem angst aan.

Lee pakte de baksteen die hij onder de bank had verstopt. Hij liep achter zijn moeder de trap op. Toen ze zich over de weekendtas boog, sloeg hij met de baksteen op haar hoofd.

Eén keer.

Zijn moeder richtte haar hoofd op, ze zei: “Hé, Lee, niet doen.”

Lee sloeg nòg een keer en nòg een keer.

“Waarom heb je die tweede en derde klap gegeven?” wil een rechter weten.

“Ik raakte in paniek, ik was gewoon bang.”

“Hield je er rekening mee dat het erger dan bewusteloosheid was?”

“Ja, want na die slagen zag ik zoveel bloed.”

Nadat hij haar portemonnee uit haar broekzak had gegrist, reed Lee op de fiets van zijn moeder naar een vriend. Daar waste hij stiekem het bloed van zijn handen. Vervolgens ging hij met zijn vriend hasj kopen en gebruiken. Hij reed ten slotte per fiets naar het station van Gouda - het begin van een zwerftocht die hem op 5 juli in Amsterdam zou brengen. Daar werd hij vanwege een winkeldiefstal gearresteerd. Toen pas hoorde hij dat zijn moeder ten gevolge van de slagen met de baksteen was overleden.

“Wat vind je ervan?” vraagt de rechter.

“Erg”, zegt hij zacht.

“Héél erg. Je hebt een heleboel mensen veel leed bezorgd, vooral je vader, maar ook je broers en zussen.”

Openlijk agressief was Lee nooit eerder geweest. Alleen een ruzie met zijn broer, ook een Koreaans adoptiekind, was een week eerder op een licht handgemeen uitgelopen.

Prof. dr. R. Hoksbergen, de adoptiedeskundige bij uitstek, meent dat Lee in de greep van een acute verlatingsangst is geraakt door het dreigende vertrek naar het JAC. Adoptiekinderen hebben over het algemeen toch al veel last van verlatingsangst en gevoelens van eenzaamheid. Hoksbergen merkt in zijn rapport op dat de adoptie in dit geval duidelijk invloed heeft gehad op het delict. Hij heeft kritiek op de plaatsingsinstanties: Lee zou in een te groot gezin met te geringe leeftijdsverschillen tussen de kinderen terecht zijn gekomen. Bovendien zou zijn moeder overbezorgd zijn geweest, enigszins rigide. “Bij sommige kinderen werkt terughoudendheid beter”, meent Hoksbergen.

Deze constateringen moeten keihard aankomen bij de vader, die met twee dochters in de rechtszaal aanwezig is. Eerst het verlies van je vrouw, en dan ook nog openlijke kritiek op de opvoeding.

In brieven aan zijn vader heeft Lee veel berouw getoond.

“Zie je je vader nog?” vraagt de rechter aan Lee.

“Hij komt op bezoek.”

“En de andere kinderen?”

“Die niet.”

De officier van justitie, mr. M. van der Horst, eist voor doodslag twee jaar gevangenisstraf plus tbs met dwangverpleging. “Uit oogpunt van vergelding en preventie is gevangenisstraf geboden”, zegt hij. De advocate, mr. Y. Polko, vreest dat gevangenisstraf het isolement van Lee alleen maar zal vergroten. Zij acht de doodslag niet bewezen omdat de opzet zou ontbreken.

(Het vonnis, twee weken later: een gevangenisstraf van een jaar en tbs met dwangverpleging.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.