Anticlimax in de WAO

DE SOCIALE ZEKERHEID blijft het gevoeligste onderwerp van de 'paarse' coalitie. Dat bleek enkele weken geleden toen minister Melkert (sociale zaken) opmerkingen maakte over het ministelsel en het bleek afgelopen vrijdag opnieuw toen minister-president Kok een toelichting gaf op het kabinetsbesluit over de toekomstige structuur van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Elk woord dat erover wordt gesproken, leidt tot onenigheid. PvdA en VVD denken fundamenteel verschillend over de toekomst van het sociale zekerheidsstelsel. Bij de PvdA staat de collectiviteit voorop, terwijl de VVD ook op dit terrein de markt de ruimte wil geven.

In het regeerakkoord staat dat bij de uitvoering van de WAO de bakens moeten worden verzet in de richting van marktwerking en premiedifferentiatie. Het is een zin waarin, zoals nu blijkt, heel veel kan worden gelezen, maar ook heel weinig. Zij die er heel veel in lazen en deze passage beschouwden als een eerste stap op weg naar het mini-stelsel in de sociale zekerheid reageren teleurgesteld op de plannen van het kabinet. Het kabinet heeft immers gekozen voor een minimalistische uitleg. De mogelijkheid tot privatisering van de uitvoering van de WAO, in het jargon van het Binnenhof verbasterd tot 'opting out', wordt geschapen, maar de voorwaarden waaronder dit kan zijn zodanig, dat het vooralsnog louter een theoretische mogelijkheid is.

EEN EN ANDER WORDT in de adviesaanvrage aan de SER ook min of meer toegegeven: “Opting out is met andere woorden niet zozeer een doel op zichzelf, als wel een extra faciliteit om via concurrentieprikkels de publieke verzekeraar te stimuleren tot een marktgerichte uitvoering”, aldus de liberale staatsssecretaris van sociale zaken, R. Linschoten. Anders gezegd: niet de privatisering staat voorop, maar de marktwerking van het bestaande stelsel. De mogelijkheid van privatisering dient slechts als 'ultimum remedium'.

In feite vloeit deze uitleg voort uit een andere afspraak in het regeerakkoord, namelijk die waarin staat dat de polisvoorwaarden wat betreft hoogte en duur van de uitkeringen ongewijzigd blijven. Daarmee is het belangrijkste concurrentie-element weggenomen. Wat nog resteert is een efficiënte uitvoering. Of dit zal leiden tot zodanig lagere premies dat concurrentie mogelijk wordt, is hoogst twijfelachtig. Temeer daar private verzekeraars in het begin veel hogere kosten dragen wegens het andere financieringsstelsel dat zij hanteren en wegens de zogeheten 'affinanciering' van bestaande gevallen. Uit berekeningen van het Verbond van Verzekeraars blijkt dan ook dat het minimaal acht jaar duurt voordat het private stelsel goedkoper is dan het huidige systeem. Vervolgens duurt het nog tien tot twintig jaar voordat de kosten van de hogere premie in de beginjaren zijn terugverdiend. Met andere woorden: wie wil?

DE CONCLUSIE IS dat als hoogte en duur van de uitkeringen wettelijk vastliggen concurrentie nauwelijks mogelijk is. De anticlimax voor de voorstanders van privatisering was dan ook te voorzien. De PvdA had dat tijdens de kabinetsformatie alleen beter door dan de VVD.

Dit wil niet zeggen dat de plannen van het kabinet materieel niets voorstellen. De voornemens om de WAO-premie per bedrijfstak of zelfs per bedrijf te laten verschillen kunnen wel degelijk van invloed zijn op het aantal arbeidsongeschikten. Teleurstellend is wel dat het kabinet in de adviesaanvrage zelf geen keuze maakt maar aan de SER vraagt in welke mate de premiedifferentiatie moet worden doorgevoerd. Van een kabinet dat het primaat van de politiek wil herstellen, had een minder afwachtende houding mogen worden verwacht .