Goud uit water maken

Anderhalve week geleden spoelden er drie potvissen aan op de Nederlandse stranden. We konden dus weten dat het mis zou gaan. Zo'n enorm beest dat hier helemaal niet thuis hoort, kan niet anders dan een teken van boven zijn. De bewoners van het zeventiende eeuwse Holland hadden er onmiddellijk de aankondiging van naderend onheil in gezien. Simon Schama meldt dat onder een gravure van een in 1616 bij Noordwijk gestrande walvis geschreven staat: 'God Wende 't Quaed van ons en 't Lieve Vaderland'. Zo is het en als we de tekenen des tijds hadden verstaan, wie weet.

De gedachte dat nationale identiteit een leeg begrip is, lijkt me na de afgelopen week moeilijk te verdedigen. Koen Koch, die me vorige week (NRC Handelsblad, 31 januari) verweet te zoeken naar de 'ware kern' van Nederland, moet toch met enige bevreemding hebben gekeken naar alle oude reflexen en mythes die met het water omhoog kwamen. In alle ons omringende landen was sprake van aanzienlijke wateroverlast, maar enkel hier werd dat zonder blikken of blozen omgedoopt tot 'watersnood'. Zo sterk schoven de beelden van heden en verleden over elkaar dat zelfs buitenlandse kennissen bezorgd belden of we nog niet waren verdronken in Amsterdam.

Hoe zou men willen verklaren dat Jan Romein, die een oratie houdt in oktober 1939 over de verschillende interpretaties van de Opstand, onder de titel Het vergruisde beeld, een jaar later, in november 1940, spreekt over Oorsprong, voortgang en toekomst van de Nederlandse geest? Natuurlijk vormt de Duitse bezetting een belangrijke context voor zijn toespraak. Toch zou ik willen suggereren dat interpretatiestrijd over episodes uit de geschiedenis, niet uitsluit dat er over een aantal kenmerken van het nationale patroon in Nederland een redelijke mate van overeenstemming heeft bestaan.

Koch kritiseert de omschrijving van het historische patroon van samenleven in Nederland, waarvoor ik termen heb gebruikt als tolerantie, consensus en egalitarisme. Deze termen kan men aanvullen of vervangen door andere: burgerlijk (Huizinga), bedachtzaam (Romein), sober (Verburg), zwaarte (Rüter) enzovoorts. Dat zijn allemaal verzamelbegrippen met een aanzienlijke overlapping. Ze beschrijven wezenlijke trekken van Nederland, zonder daarmee een geheel sluitend of louter aantrekkelijk beeld te ontwerpen.

Dat in woorden als tolerantie, consensus en egalitarisme geen sociaal-democratische of sociaal-liberale voorkeur verstopt zit, zoals Koch denkt, zou al duidelijk kunnen zijn uit het gebruik van soortgelijke begrippen door auteurs van zeer uiteenlopende signatuur. Dat oude patroon gaat dan ook vooraf aan de vorming van politieke partijen. Wat weegt eigenlijk zwaarder in de ontwikkeling van partijen: ideologische verschillen of nationale verwantschap? Lijkt de PvdA niet meer op de vroegere ARP dan bijvoorbeeld op de Duitse SPD?

Maar ook al wil men de nationale identiteit uitleggen langs partijpolitieke lijnen, dan is toch duidelijk dat tolerantie eerder verwijst naar een liberale levenshouding, consensus vooral een vrucht is van het christelijke midden en dat enkel gelijkheid verwijst naar die derde hoofdstroom, het socialisme.

Niet alleen ontkent Koch deze conti- nuïteiten, tegelijk gaat hij met grote stappen voorbij aan mijn stelling dat zeker de laatste twintig jaar de twijfel is gegroeid over de waarde van dergelijke tradities. Bijvoorbeeld de consensusdemocratie ligt onder vuur, zoals wel blijkt uit de opgelaaide discussie over de dijkversterking. Als er nu meer over Nederland wordt nagedacht dan komt dat voort uit deze onzekerheid en niet uit eigendunk. Deze open vraag wordt door Koch tot een 'nationaal reveil' verbasterd. HP/de Tijd, elke week weer goed voor een nieuwe trend uit het knipselmapje, schreeuwde deze week instemmend van een rood-wit-blauwe omslag dat het taboe op chauvinisme is weggevallen. Ikzelf blijf graag nog even geloven in de waarde van zo'n taboe.

Nederland is een natie-staat met een lange historie. De verzorgingsstaat, de rijkswaterstaat, de parlementaire democratie en de rechtsstaat zijn in deze ruimte gegroeid. Wie nu de natie-staat eenvoudigweg voor achterhaald verklaart, zoals Koch, zonder aan te kunnen geven hoe op een ander niveau dergelijke essentiële functies kunnen worden waargenomen, moet wel beseffen welke historische gewichten aan het schuiven zijn geraakt. Een overheid die zijn burgers niet afdoende kan beschermen - of het nu in sociaal, juridisch of fysiek opzicht is - draagt bij tot een wrokkig 'eigen volk eerst'. Dat is de kern van het probleem: eigenheid en openheid gingen lange tijd op een tamelijk vanzelfsprekende manier samen, nu is dat veel minder het geval.

De wrijvingen rond het groeiende aantal allochtonen laten dat goed zien. De strijd over de plaats van telkens nieuwe groepen in de natie is op zichzelf niets nieuws. De socialistische auteur A.J.C. Rüter schrijft in 1941: “De natie heeft (...) meer dan één groep moeten assimileeren, wat ook cultureele wijzigingen van velerlei aard meebracht en niet zonder spanningen verliep”. Daarbij kan worden gedacht aan de emancipatie der katholieken of de integratie van de arbeidersklasse. Nu gaat het om culturele spanningen met een nog veel grotere lading.

De nonchalante omgang met onze overheidsinstellingen zegt veel over een natie die in de afgelopen decennia de verscheidenheid tot een hoogtepunt zag groeien, maar vergat dat voor integratie ook een besef van eenheid nodig is. Een stoplap als 'eenheid in verscheidenheid' werkt niet voor de katholieke kerk, niet voor Europa en ook niet voor Nederland. Zo'n formulering wordt meestal gebruikt als er geen woorden voor eenwording meer zijn.

In tijden van tegenspoed haakt men sneller naar saamhorigheid en dan worden ook meteen de schaduwzijden zichtbaar: lichte hysterie en het zoeken naar zondebokken ontbraken al bij deze bijna-ramp niet. Zelfbehoud loopt gemakkelijk over in agressie wanneer de overheid het laat afweten. De boeren die het liefst ijveraars voor het milieu zouden willen kelen, spreken voor zichzelf en misschien ook voor veel anderen. Uiteindelijk komt het neer op één vraag, die door Koch wordt ontweken: Kan de democratie los van een stabiele nationale staat overleven?

Daarom is het van belang om het gesprek gaande te houden over de functies die de Nederlandse natie-staat ook onder nieuwe omstandigheden kan blijven vervullen. Huizinga schreef: “... als natie en staat zijn wij nu eenmaal in zekeren zin satisfait, en het is onze nationale plicht het te blijven”. Dat betrekkelijk ontspannen natie-besef in Nederland is niet langer vanzelfsprekend en daarom rust een dure plicht op ons om in een heel andere tijd deze traditionele gematigdheid vol te houden.

En mocht de tevredenheid toch omslaan in chauvinisme, dan is er altijd nog de ironische blik van buitenstaanders. Zoals de treffende waarneming van de Amerikaanse hoogleraar Seth Lichter over het ritueel in Nederlandse cafés. Na het tappen wordt het bier voor de klant neergezet: “Dat doet de barman niet bepaald voorzichtig, zodat het bier altijd overloopt en de bar en de viltjes kletsnat zijn. Dan maakt hij met een doek de bar droog om hem vervolgens weer met bier te laten overstromen. Het lijkt wel of deze bijzondere methode van bier tappen een rituele heropvoering is van de landwinning uit zee: eerst moet het bier gemorst worden, waarna de barkeeper de oppervlakte weer kan droogleggen” (in: Vreemde ogen, 1993). Als iemand goud uit water heeft gemaakt, dan wel Freddy Heineken.