Frivole haute couture golft boven de huizen

Architecten zullen niet gauw toegeven dat hun scheppingen modieus zijn, toch laten gebouwen zich gemakkelijk dateren. De jaren negentig kennen hun eigen architectuur- mode. Een paar stijlkenmerken ervan kunnen nu al worden gecatalogiseerd. Deze week: het golvende dak.

Vraag een klein kind een huis te tekenen en het tekent er een met een puntdak, ook al woont het zelf zijn leven lang in een galerijflat. Het huis met de puntdak is een oervorm, een archetype. Toen de Franse architectuurtheoreticus Abbé Laugier in de achttiende eeuw de oerhut, de bron van alle architectuur, reconstrueerde, liet hij dan ook twee rijen bomen tekenen, waartussen een schuin dak van takken en bladeren was gebouwd. Dit was volgens hem de Griekse tempel in zijn oervorm: de bomen ontwikkelden zich tot zuilen en het schuine dak van takken en bladeren werd een constructie van houten balken en dakpannen.

Eeuwenlang hadden ook de Nederlandse huizen en gebouwen puntdaken, wat heel praktisch was in het regenachtige klimaat. Maar de twintigste eeuw is de eeuw van het platte dak geworden. Volgens de modernisten leverde een puntdak veel onbruikbare ruimte op en was het platte dak, dat eventueel ook als terras kon worden gebruikt, superieur. In hun tijdschriften uit de jaren twintig legden zij uit wat de voordelen van het platte dak waren. En niet zonder gevolg: vooral na de Tweede Wereldoorlog werden hun woorden geloofd en zo verschenen ook in het natte Nederland overal kantoren, flats en ook wel eengezinswoningen met platte daken.

Natuurlijk was het platte dak niets nieuws. In mediterrane en andere warme landen kwamen ze al eeuwen voor. Beroemd is de parodie op de modernistische architectuur op een Duitse postkaart uit 1927. Op een foto van de Weissenhofsiedlung in Stuttgart, de bekendste modelwijk van het Nieuwe Bouwen, hadden de parodisten Arabieren in lange witte gewaden met kamelen gemonteerd tussen de voornamelijk witte huizen van toen al beroemde architecten als Walter Gropius, Ludwig Mies van der Rohe en J.J.P. Oud. 'Araberdorf' stond er onder, en al was dit niet zonder Blut-und-Bodenachtige bijbedoelingen in het Duitsland van de jaren twintig, het blijft een vermakelijke montagefoto.

Op de valreep van de twintigste eeuw maakt nog een derde dakvorm opgang in Nederland: het golvende dak. Functionele rechtvaardigingen, zoals voor het platte dak, zijn er niet voor dit soort daken. Golfdaken zijn moeilijk te construeren en de afwatering levert, meer nog dan bij het platte dak, problemen op. Het gaat bij het golfdak slechts om het beeld. Het geeft de gebouwen iets zwierigs, iets frivools. Anders dan de dikke dakrand zijn golfdaken nog niet op erg grote schaal waar te nemen, maar wel vaak genoeg om te spreken van mode, 'haute couture' nog in dit geval.

Het was Rem Koolhaas die als een van de eersten een golfdak gebruikte, te weten in zijn Nederlands Danstheater in Den Haag dat al uit 1987 dateert. Sindsdien is de golf in steeds meer gebouwen te zien. Sjoerd Soeters gaf zijn Circustheater in Zandvoort uit 1991 een flinke golf, en de vier architecten van Mecanoo lieten hun paviljoen aan de Rotterdamse Boompjes zachtjes golven. In Apeldoorn kreeg de door EGM-architecten ontworpen brandweerkazerne een heel lang golvend dak en ook een deel van het hoofdkantoor van de ANWB in Den Haag is door hetzelfde architectenbureau voorzien van een golfdak. En Herman Hertzberger, wiens werk de laatste jaren een opzienbarende wending heeft genomen, gebruikt steeds vaker het golfdak, bijvoorbeeld in zijn nu in aanbouw zijnde theater in Breda.

Er is zelfs al iets van de haute couture doorgesijpeld naar de confectie, de woningbouw. Zo heeft in Hoofddorp een lange rij bruine woningen, ontworpen door Scala Architekten, een lang golfdak. Ook in Kattenbroek, de Amersfoortse wijk waar alle Nederlandse wethouders naar toe gaan om te zien hoe zij hun steden moeten uitbreiden, is een groot woningenblok door architect Maarten Min bekroond door vele golven. De sporthal van Sándor Weerstra in dezelfde wijk kreeg juist één lange golf als dak.

Het is moeilijk om vast te stellen waar de oorsprong van het golfdak ligt. Natuurlijk waren barokarchitecten al dol op afwisselingen van holle en bolle vormen, maar een echt golfdak hebben zij bij mijn weten niet gemaakt. Ook in het late werk van Le Corbusier - en zijn Oeuvre Complète kent elke architect - komt wel iets voor dat aan golfdaken doet denken, maar eigenlijk gaat het bij hem om niets anders dan aaneenschakelingen van tongewelven. Nee, het eerste gebouwtje in de Westerse architectuur met een echt golvend dak moet waarschijnlijk worden gezocht in Barcelona. Daar staat in de schaduw van de reusachtige, onvoltooide Sagrada Familia-kerk een klein schooltje uit het begin van deze eeuw. Het heeft een ingenieus golfdak en is ontworpen door dezelfde architect als die van de kerk: Antoni Gaudí.