Werken op zondag slecht voor sociale cohesie

Voor de liberalisering van de winkelsluiting zijn verschillende argumenten naar voren gebracht. Veel hout snijden die niet, vindt Mady A. Thung. Zij vestigt de aandacht op een belangrijk nadeel van werken op zondag: het gemis van een gemeenschappelijke rustdag verzwakt de sociale bindingen.

Het kabinet heeft gekozen: de winkels blijven in principe op zondag dicht maar gemeenten mogen tot openstelling besluiten. Een wijziging van de winkelsluitingswet is in voorbereiding. Intussen kunnen Kamerleden hun standpunt bepalen. Maar wat voor argumenten hebben ze eigenlijk ter beschikking?

Het belangrijkste argument voor openstelling op zondag: toename van de werkgelegenheid, blijkt nergens op te berusten. De verantwoordelijke minister bevestigde onlangs daaromtrent niets te kunnen garanderen (NRC-Handelsblad 23-1). Eerder had hij in een Kamerdebat al toegegeven dat hij toch voorstander was, ook als de verruiming van openingstijden tot banenverlies leidde. Dan is er een argument van professor Heertje. Ruimere openstelling is een bijdrage aan de door hem voorgestane flexibilisering van arbeidstijden. Die vergroot de vrijheid van mensen en dat 'humaniseert de samenleving' (uit een tv-debat op 11 december van het vorig jaar). Het lijkt meer op een profetie dan een serieus argument.

De minister zelf heeft nog een historisch argument. De winkelsluitingswet stamt van 1930, meldde hij in het genoemde Kamerdebat. “De tijden zijn veranderd. Er zijn andere concurrentieverhoudingen, andere winkelmogelijkheden en de samenleving zit een beetje anders in elkaar”, meende hij. Dat valt niet te ontkennen. Maar wat is er dan eigenlijk veranderd en waarom zou dat nopen tot die zondagse openstelling van winkels?

Voor ingrijpende veranderingen hoeft men niet zover terug te gaan. Het was vooral in de naoorlogse jaren dat Nederland een grondige herstructurering doormaakte. Met nog maar 10% agrariërs was het eind jaren 50 een industriële natie geworden. Bevolkings- en welvaartsgroei zorgden samen met migratie voor snelle stedengroei, de Randstad liep vol. Door het uitbreidend wegennet, de auto, de televisie, de vestiging van forensen, verstedelijkte het platteland; in toenmalige geschriften heette het dat het 'modern-dynamische cultuurpatroon' zich over het gehele land spreidde. En de zondagse rustdag werd onderwerp van heftige discussie. Er kwamen namelijk steeds meer continu-bedrijven, er kwam groter behoefte aan openluchtrecreatie en vervoer op zondag en daarmee steeg de vraag naar zondagsarbeid.

Zo verscheen er in 1959 een publikatie van het Nederlands Gesprekcentrum over De zin van de zondag. Daarin verklaarden katholieken, protestanten en humanisten unaniem, ondanks hun grote onderlinge verschillen toentertijd, dat de vrije zondag zoveel mogelijk gehandhaafd moest blijven. Alle drie groepen hechtten grote waarde aan de algemene periodieke onderbreking van de arbeidsroutine en de mogelijkheid om dan sociale bindingen te onderhouden en tot gezamenlijke ontspanning en bezinning te komen. Het waren waarden die toch al bedreigd werden door de 'overrompelende economische en technische ontwikkeling'. Juist de zondag kon enige compensatie brengen, zij mocht 'pas in het uiterste geval [..] worden opgeofferd om technische en economische noodzaak.'

Er had niet alleen ethische discussie plaats, er werd ook onderzoek gedaan onder mensen die op zondag werkten. Ploegenarbeiders en hun gezinnen gaven algemeen blijk van grote weerstand tegen zondagsdienst. Zij spraken niet over het 'onderhouden van sociale bindingen', maar het verlies aan gezamenlijk doorgebrachte vrije tijd zat hun wel dwars. Daarachter zat een verschijnsel waarvan wij onderzoekers het bestaan niet hadden vermoed en dat je 'zondagsbesef' zou kunnen noemen. Het betrof de beleving van deze rustdag als bijzondere tijd, dankzij het gemeenschappelijke karakter ervan. Dat gaf een eigen sfeer aan de dag die alle bezigheden kleurde.

Het zondagsbesef was algemeen, ondanks zeer verschillen zondagsbestedingen: kerkgang, een luie ochtend thuis, naar buiten, een extra lekkere maaltijd, familiebezoek of - natuurlijk! - het voetballen. In huishoudens werd naar de zondag toegeleefd, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat men dan vrij was van huishoudelijk werk. En wat opviel: van de specifiek zondagse bezigheden was 46% verplaatsbaar naar een weekdag, maar dan dééd men die dingen niet. De sfeer was er dan niet naar. Die bestond bij de gratie van de algemene vrije dag, het rustige straatbeeld en het besef dat iedereen die dag ontslagen was van verplichtingen. Eén respondent drukte dat zó uit: “Als iedereen vrij is, dan voel je de zondag.” De conclusie van het onderzoek was, dat zondagsarbeid voor individuele werknemers wel vaak bezwaarlijk was maar geen al te grote schade aanrichtte zolang het publieke karakter van de rustdag gehandhaafd bleef. Daartoe zou ze tot een zo klein mogelijke minderheid van de beroepsbevolking beperkt moeten blijven.

Het advies van het Gesprekcentrum en de weerstanden van 's zondags werkenden ten spijt, nam de zondagsarbeid sedertdien geleidelijk toe. De publieke rustdag moest meer en meer wijken voor 'technische en economische noodzaak'. Minister Wijers wil dus kennelijk een lijn doortrekken. Tegelijk veranderde de samenleving; daarvan is de minister zich blijkbaar bewust. Wil hij ook die veranderingen doortrekken? Dan moet hij die wel kennen.

Samen met enkele collegae schreef ik onlangs een verkennende terugblik daarop. Aanleiding was de veronderstelling dat veel van het cohesieverlies waarmee de samenleving thans te kampen heeft - gedaalde gemeenschapszin, politieke apathie, onveiligheid, vervuiling, vandalisme, stijgende aantallen dropouts zoals verslaafden, daklozen, langdurig werklozen enzovoorts - te wijten was aan de eenzijdige nadruk op economische 'gezondmaking' ten tijde van het no-nonsense beleid. Voorzover we met onze beperkte middelen statistische gegevens over langere termijnen konden verzamelen, zetten wij die naast elkaar. De veronderstelling was slechts gedeeltelijk juist: op tal van terreinen waren stijgende lijnen te zien, maar die namen veelal hun aanvang in de jaren 60 en 70. Ze gaven geen bemoedigend beeld van de wijze waarop nu 'de samenleving anders in elkaar zit'.

Zoals bekend is ook de cultuur veranderd. De term 'modern-dynamisch cultuurpatroon' maakte plaats voor 'pluralisering, post-modernisme, individualisering, tweedeling'. De 'dynamiek' ging domineren, ten nadele van andere belangrijke momenten van dat cultuurpatroon zoals gelijkheid en solidariteit (waarden die zeker zo belangrijk zijn als de vrijheid van professor Heertje). Zo ontstond een uiterst problematische samenleving. Het no-nonsense beleid, dat meer aandacht besteedde aan de economische dynamiek dan aan sociale belangen en aan de cultuur, was daarvan slechts een uiting. Symptomatisch was zijn bijdrage aan de verdere doorbreking van de zondagssfeer: aan dit beleid danken we immers de Ster-reclame op zondag, voordien de enige dag waarop we van die irritante opdringing van consumptie verschoond waren.

Het kabinet-Kok leek echter anders te willen. Het gaf in zijn regeringsverklaring blijk van zorg voor de sociale samenhang. Het zei te streven naar een balans tussen de 'economische dynamiek' en 'gemeenschapszin, samenhang, cohesie'. Het was er zich dus van bewust dat die onderling op gespannen voet kunnen staan.

Blijkbaar is dat besef nu verbleekt en krijgt de economische dynamiek toch voorrang. Het is namelijk niet waarschijnlijk dat locale overheden veel kunnen tegenhouden. Die zullen de één na de ander zich bij de ontwikkelingen moeten aansluiten als hun buurgemeente eenmaal tot zondagse winkeltijden heeft besloten.

Bovendien, ook als er maar enkele grote steden zijn die er geen gemeenschappelijke rustdag meer op na houden, is het publieke karakter van de rustdag, de openbare onderbreking van de arbeidsroutine verdwenen. De tastbare en voelbare manifestatie ervan: het bijzondere straatbeeld en het samenvallen van ieders vrije tijd met die der anderen - waarnaar die ene respondent zo treffend verwees - zijn dan immers weg. Ze zijn niet alleen voorwaarde voor een groot aantal gemeenschappelijke bezigheden, ze betekenen méér, zoals het Gesprekcentrum reeds vaststelde. Men zou dat nu, 36 jaar later, kunnen aanmerken als een restant gedeelde cultuur en daarmee een bijdrage aan hetgeen er aan sociale cohesie resteert. Het is te hopen dat de Tweede Kamer de minister zal beletten dit op basis van een ondeugdelijk historisch argument op te ruiment.