Minister Jorritsma minder gul dan ze zich voordoet

DEN HAAG, 4 FEBR. Minister Jorritsma had donderdagmiddag een broche in de vorm van twee parapluutjes opgespeld, toen ze de Tweede Kamer kwam vertellen welke maatregelen het kabinet tegen toekomstige wateroverlast wil nemen. De rivierdijken, kondigde ze aan, worden voor het jaar 2000 versterkt, terwijl Limburg dankzij een rijksgarantie nog dit jaar kan beginnen met het aanleggen van kades lang de Maas. Als het niet lukt om belemmerende procedures opzij te zetten, komt er noodwetgeving.

Maar is het ministerie van verkeer en waterstaat werkelijk zo gul? Al tijdens het Kamerdebat lukte het Jorritsma ternauwernood om twee adders onder het gras zo veel mogelijk verborgen te houden.

Zo maakte de minister niet voor niets verschil tussen kades en dijken. Kades, zei ze, zijn bedoeld om overlast te beperken, terwijl dijken worden aangelegd voor de veiligheid. Dit onderscheid rechtvaardigde volgens haar het standpunt van het ministerie, dat de Limburgse kades niet onder de werking van de Wet op de Waterkering hoeven te vallen, zoals een deel van de Tweede Kamer bepleitte.

Daar zal Limburgs gouverneur Van Voorst tot Voorst, ook in de zaal aanwezig, niet blij mee zijn geweest. Want alleen de aanleg van dijken, zo wil de wet, komt in aanmerking voor financiering door het rijk. Aanleg en versterking van zeedijken worden voor de volle honderd procent door het rijk betaald, die van rivierdijken voor tachtig procent.

De term rijksgarantie betekent dan ook niet meer dan dat het rijk garant staat, mochten waterschappen, gemeenten en provincie niet in staat zijn de aanleg van de kades uit eigen zak te bekostigen. Het gaat hierbij om een totaal bedrag van 68 miljoen gulden.

In totaal zullen de aanpassingen aan de Maas echter 1,3 miljard kosten, vooral door het plan om de rivier te verdiepen en te verbreden. Tegenover die uitgaven zou 1,6 miljard moeten staan aan inkomsten uit afgegraven zand en grind. Maar als ook deze afgravingen versneld moeten worden uitgevoerd, zullen, door verzadiging van de relatief kleine markt voor zand en grind, de inkomsten drastisch dalen. De discussie over wie dan voor de kosten van de aanpassingen aan de Maas opdraait, provincie of rijk, moet nog worden gevoerd.

Maar de Tweede Kamer, in beslag genomen door de vraag wat haar rol in het uitstel van de rivierdijkversterkingen is geweest, reageerde laconiek. Het Limburgse Kamerlid Huys (PvdA) pleitte voor financiering van de kades door het rijk, daarin in tweede termijn bijgevallen door Blauw (VVD) en Van den Berg (SGP). Echt aandringen deed niemand. Het was, vond iedereen, een goede zaak dat er nu maatregelen werden genomen.

Van haar kant wuifde Jorritsma de suggestie van Van den Berg weg om in plaats van noodwetgeving te maken, de Wet op de Waterkering aan te passen. En dat was de tweede adder onder het gras. Want met de Wet op de Waterkering, die de Waterstaatswet uit 1900 moet vervangen, is het vreemd gesteld.

Het eerste ontwerp ervan werd in 1989 door toenmalig minister Smit-Kroes bij de Tweede Kamer ingediend. De Wet op de Waterkering bevat onder meer nieuwe regels voor het onderhoud van dijken, wat door Smit-Kroes werd aangegrepen om de onderhoudsbijdrage te halveren. De waterschappen zouden dit uit bijdragen van hun ingezetenen moeten aanvullen.

De Tweede Kamer was het er niet mee eens. Ook een later door toenmalig minister Maij-Weggen aangekondigde decentralisatie van de onderhoudsbijdrage, naar de provincies, viel niet in goede aarde. Onder aanvoering van het op 'waterschap en functionele decentralisatie' gepromoveerde Kamerlid Van den Berg, waarschuwden vrijwel alle fracties tegen het uit handen geven van een rijkstaak op het gebied van de veiligheid.

Intussen is de Wet op de Waterkering nog steeds niet aangenomen. Wel is op 1 januari 1994 de in het wetsvoorstel aangekondigde decentralisatie van kracht geworden, inclusief de halvering van de onderhoudsbijdrage. Dat is niet bij wet, maar in een akkoord met het Interprovinciaal Overleg geregeld.

Het voorstel van Van den Berg om de Wet op de Waterkering zo aan te passen dat het verkorten van procedures bij dijkverzwaring erin wordt geregeld, zou betekenen dat het wetsvoorstel zeer binnenkort opnieuw in de Tweede Kamer ter sprake komt.

En dat wil Jorritsma, met haar voorkeur voor noodwetgeving, liever voorkomen. Want dan zou de schijnwerper worden gericht op een bezuiniging en het afstoten van taken, die zo kort na de watersnood wellicht wat vreemd overkomen. Dus zei de minister dat over de Wet op de Waterkering “nog een pittige discussie moet worden gevoerd”, en dat dat “tijd kost”. Het reformatorische Kamerlid Van den Berg concludeerde: “U weet dat ik niet graag de term lijdensweg gebruik, maar de geschiedenis van de Wet op de Waterkering is er één.”