Bloed

Geïnspireerd door het hoge water vertelde mijn vader dat hij één keer in zijn leven eigenhandig een koe heeft geslacht, of eigenlijk een vaars.

In zijn jonge jaren trok hij vaak op met een oom van hem, Hendrik van Zomeren, die op het dorp bekend stond als d'n Troeles en door ons Rutje werd genoemd. Rutje was een vrijbuiter. Hij zwierf als stroper door polder en uiterwaard. Hij hield van een borreltje en mocht graag een sterk verhaal vertellen. Tegen de winter ging hij uit slachten. Varkens. Iedereen had wel een varken achter het huis. Koeien gingen normaal gesproken naar het abattoir. Dat een koe aan huis werd geslacht was een uitvloeisel van de oorlog. Hartstikke clandestien! Dat was iets, daar konden de Duitsers maar beter geen lucht van krijgen.

Die vaars, vertelde mijn vader, stond in de gang van zo'n woninkje aan de dijk, zo'n huis waar je je kont niet keren kon. Met een listig gestrikt touw werd ze ondersteboven getrokken en dan moest je haar met haar horens naar de grond draaien en de keel afsnijden.

Dat huis, legde mijn vader uit, lag voorbij de hervormde kerk, bijna bij de steenfabriek, buiten de dijk (en daar ligt het trouwens nóg). Het bloed vloeide zo over de drempel de rivier in, want ook toen, in de winter van '44 op '45, stond het water hoog. Dagenlang spoelde het clandestiene bloed rond het huisje heen en weer.