Koningin met een unieke macht; De weggemoffelde schilderijen van Sofonisba Anguissola

De zakenman Amilcare Anguissola nam in het midden van de zestiende eeuw een voor die tijd revolutionaire beslissing: hij deed zijn dochter op schilderles. Sofonisba Anguissola bleek een groot talent dat levendige en gedetaillerde portretten schilderde, maar die volgens de conventies van de Renaissance niet verkocht mochten worden. In Wenen is nu een tentoonstelling van haar werk te zien.

La prima donna pittrice Sofonisba Anguissola. Die Malerin der Renaissance (um 1535-1625) Cremona-Madrid-Genua-Palermo. Kunsthistorisches Museum, Sonderausstellungssaal, Maria-Theresien-Platz, 1010 Wenen. Tot 26 maart. Catalogusprijs: ƒ 65,-

Graaf Baldesar Castiglione, diplomaat in dienst van onder anderen de hertogen van Milaan en Urbino, publiceerde in 1528, een jaar voor zijn dood, een boek dat de mens en daarmee de wereld zou veranderen. Dit Libro del Cortegiano was een handboek in dialoogvorm, waarin te lezen stond hoe een edelman zich hoorde te gedragen en wat hij in zijn mars hoorde te hebben. Het was, in die decennia der ontluikende Renaissance, een heel ander verhaal dan wat voor de Middeleeuwse ridder had gegolden. De deugden van het slagveld, waar deze zich op had toegelegd, waren achterhaald. Castigliones edelman was een hoveling, die geverseerd hoorde te zijn in de kunsten, oog moest hebben voor schoonheid, die geacht werd verzen te kunnen schrijven waarin op elegante wijze beschaafde gevoelens werden geuit. Niet langer ging het vooral om moed, kracht en Draufgängertum. De zachtere krachten in de mens hoorden aan bod te komen, waarbij Castiglione vormen van omzichtigheid en zelfregulering voorschreef die de Renaissance-mens dramatisch onderscheidde van de ongeremde barbaar, die, om Goethe te citeren, zijn vijanden toeriep dat ze zijn reet konden likken.

Er is wel eens gezegd dat Castiglione met zijn invloedrijke boek de cultuur van zijn tijd gefeminiseerd heeft. Maar voor die opvatting moet men de blik lenen van een 'mannelijk chauvinistisch varken', in wiens ogen Castigliones hoveling vast en zeker een verwijfd kereltje was. (In zijn tijd had de Renaissance-diplomaat met dergelijk chauvinisme waarschijnlijk ook al te maken, want zijn stelling dat ook tekenen en schilderen bij de opvoeding van de cortegiano horen verdedigde hij in zijn boek meteen met een verwijzing naar de klassieke oudheid, toen alleen jongens uit goede familie onderwijs in de beeldende kunsten mochten krijgen, en dergelijke kunstuitingen aan slaven uitdrukkelijk verboden waren.) Beter kan men zeggen dat Castigliones boek de Renaissance-aristocraat heeft bevrijd van de verplichting een botte macho te zijn, waardoor zijn andere menselijke mogelijkheden een kans kregen.

Maar deze bevrijding gold niet alleen voor de man. In de Renaissance werd ook ontdekt dat de vrouw zekere begaafdheden kon hebben; er werd zelfs wel eens over 'gelijke talenten' gesproken. In elk geval pleitte Castiglione ook voor een humanistische opvoeding van meisjes, al adviseerde hij hun wel zich te beperken tot una mediocrità difficile en discrezione in acht te nemen. Desondanks droeg Il Libro del Cortegiano krachtig bij tot de emancipatie van de vrouw in de Renaissance. Vaders met veel dochters en weinig middelen voor enorme bruidschatten hoefden hun kinderen niet langer zonder meer bij het klooster af te leveren. Zij konden hun dochters een echte opvoeding geven en hun zo toegevoegde waarde verschaffen.

Dilettanten

Dat deed bijvoorbeeld de erudiete Amilcare Anguissola, erkende buitenechtelijke zoon van een edelman uit Cremona in de Po-vlakte. Amilcare was een niet al te succesvolle zakenman: hij handelde in boeken, welriekende planten en kruiden. Wel was hij in zijn door de produktie van flanel en laken welvarende vaderstad Cremona een geziene patriciër en lid van het stadsbestuur. Zijn pech was alleen dat de eerste vijf kinderen die zijn vrouw Bianca ter wereld bracht meisjes waren. Een lelijke belasting voor een edelman zonder vermogen.

Maar Amilcare liet zich er niet door uit het veld slaan. Wellicht met het boek van Castiglione in zijn boekhandelaarshand besloot hij de oudste twee dochters Sofonisba (genoemd naar een Carthaagse prinses, wat aangeeft dat de familie Anguissola de Lombardische afkeer van Rome van toen en nu deelde) en Elena tot beroepsschilderessen te laten opleiden door de plaatselijke meester-schilder Bernardino Campi. Een revolutionaire Renaissance-beslissing. Tot die tijd schilderden eigenlijk alleen nonnen en dan als dilettanten en dan uitsluitend miniaturen. Hoogstens een enkele vrijgevochten schildersdochter had ooit aan een beroepsopleiding geroken. Sofonisba Anguissola, van wie nu en overzichtstentoonstelling in het Kunsthistorisches Museum van Wenen te zien is, bleek al gauw veel talent te hebben. Op haar vijftiende, kort na 1550, was zij al beroemd. Zij heeft dan les van Bernardino Gatti, omdat Campi uit Cremona is vertrokken. Haar vader schrijft druk brieven naar hertogen en andere vorsten om op het werk van zijn begaafde dochter te wijzen. Niet met het doel overigens, schilderijen van haar te verkopen. Zo ver ging de emancipatie niet, dat Sofonisba Anguissola ooit met mannelijke schilders concurreerde op de opdrachtenmarkt. Maar het schenken van een doek (bij voorkeur een zelfportret) van het schilderende wonderkind aan een vorst leidde bijna zeker tot een tegencadeau, dat de familie Anguissola dan te gelde kon maken.

In 1556 reisde Amilcare Anguissola met zijn wonderdochter, die ook nog charmant, tactvol en aantrekkelijk was, naar Piacenza, naar het hof van Mantua (waar Sofonisba voor het eerst schilderijen van Titiaan ziet), naar Parma. In deze tijd stuurt zij een tekening van een oude vrouw die probeert te leren lezen en daarbij wordt uitgelachen door een jong meisje naar Michelangelo. Deze is zeer onder de indruk, niet in de laatste plaats omdat de tekening een zelf bedacht tafereel weergeeft (een invenzione), een kunstvorm die toen in hoger aanzien stond dan de portretkunst, waarin Sofonisba al excelleerde. Tenslotte levert dit haar roem op, waarop vader Anguissola gemikt moet hebben. Sofonisba wordt in 1559 gevraagd als hofdame, schilder- en tekenlerares van de jonge Franse vrouw van koning Filips II van Spanje, Isabella de Valois, naar Madrid te komen. Zij vertrekt in november. Op een dansfeest bij het huwelijk van Filips en Isabella verovert Sofonisba het hele Spaanse hof. Iedereen staat paf van haar schoonheid, ongedwongenheid, stijl en charme.

Genereus vorst

Dertien jaar blijft ze in Madrid, geeft les en schildert portretten die door hun levendige expressie, fijne details en onpontificale menselijkheid afwijken van het geijkte patroon der Spaanse hofschilders, ook al houdt Sofonisba zich in grote trekken aan de daar geldende schilderconventies. Sommige van haar portretten zoals die van Isabella, van Filips en van Don Carlos worden druk gekopieerd, omdat allerlei mensen er een exemplaar van willen hebben. Haar doeken worden ook hier niet 'besteld'. Sofonisba wordt als een van de favoriete hofdames vorstelijk gehonoreerd en vaak overladen met kostbare cadeaus, maar er zijn geen aankoopbrieven of rekeningen die betrekking hebben op de door haar geschilderde werken.

Een aantal jaren na de dood van 'haar' koningin Isabella trouwt Sofonisba met de Siciliaanse prins Fabrizio de Moncada en zij vertrekt uit Madrid richting Palermo. Filips II, wiens reputatie in de Nederlandse vaderlandse geschiedenis niet altijd smetteloos is, betoont zich tegenover Sofonisba een zorgzaam en genereus vorst en dat zal hij ook in de latere fasen van haar leven blijven doen. Zij arriveert dan ook op Sicilië met een fraaie bruidsschat en een schitterende uitzet, alles van en door de koning. In de familie Moncada gaat het er helaas niet feestelijk aan toe. Als Sofonisba in 1579 als douairière naar Noord-Italië teruggaat is zij berooid. Vijftien jaar moet zij procederen om haar in het huwelijk ingebrachte vermogen terug te krijgen.

Op Sicilië schildert ze door alle familiecomplicaties nauwlijks. Dat wordt weer anders als zij vanaf 1580 in Genua woont met haar tweede man, Orazio Lomellini, een buitenechtelijke zoon uit een bekende Genuese familie, die zij heeft getrouwd ondanks de tegenstand van haar broer en de ernstige waarschuwingen van de hertog van Toscane. Sofonisba Anguissola was kennelijk in meer dan een opzicht een geëmancipeerde vrouw. In Genua maakt ze weer een aantal grote portretten, onder andere aan het hof van de hertogin van Savoye, een dochter van Filips II van Spanje, met wie oude banden haar binden. Zij heeft wel geldzorgen, maar ze is beroemd. In 1609 verschijnt de eerste aan haar gewijde biografie. De laatste jaren van haar lange leven (ze wordt rond de negentig) woont ze met haar beminde tweede man weer in Palermo. Ze is ten slotte praktisch blind. Anthonie van Dijck bezoekt haar in 1524, een jaar voor haar dood. Bij de beschrijving in het Italiaans van zijn visite aan de levende schilderkundige legende maakt hij een portretschetsje van de stokoude blinde vrouw.

Hoe is het mogelijk dat een schilderes die zo beroemd was en die een groot aantal prachtige doeken heeft nagelaten nu moet worden herontdekt en als een opgegraven schat door het Kunsthistorische Museum in Wenen aan het publiek moet worden voorgeschoteld? Een belangrijke reden lijkt, en deze brengt Sylvia Ferino-Pagden, die de tentoonstelling heeft ingericht, in haar essay in de prachtige catalogus dan ook met nadruk naar voren, dat de male chauvinist pigotry in de achttiende en helemaal in de negentiende eeuw geen boodschap had aan grote schilderessen in de kunstgeschiedenis. Sofonisba's doeken, vaak niet gesigneerd, niet met afrekeningen en schriftelijke opdrachten gedocumenteerd, gingen soms verloren of werden aan mannelijke tijdgenoten toegeschreven, vaak aan de Spaanse hofschilder Coello, in een geval zelfs aan El Greco.

Michelangelo

Dit ondanks de bewondering die schilders als Michelangelo voor haar hadden en de beschrijving die Vasari in zijn beroemde Le Vite de'piu eccellenti pittori, scultori e architettori geeft van twee werken die hij bij een bezoek aan haar ouderlijk huis in Cremona had gezien. Deze schilderijen: Schaakpartij en Familieportret hangen nu beide in Wenen. Zij zijn door hun nauwe band met de familie Anguissola altijd als doeken van de hand van Sofonisba bekend geweest, net zoals uiteraard de zelfportretten op handzaam formaat waarvan er een tiental te zien zijn.

Het partijtje schaak is een uniek schilderij. Het toont drie jongere zusjes van de schilderes en een oudere dienstbode. De twee die schaak spelen zijn Lucia, die ook een uitstekende schilderes zou worden, en Minerva die naam maakte als dichteres. De jongste op het doek, Europa, later ook een schilderes van kwaliteit, kijkt lachend toe. De meisjes spelen niet voor niets schaak. Castiglione en ook de met vader Anguissola bevriende humanist Vida prezen dit spel uitdrukkelijk als een ingenieus en educatief tijdverdrijf, waaraan mannen en vrouwen als gelijken konden deelnemen. Voor de emanciperende vrouw in de Renaissance had het spel, net als in de oudheid, nog een eigen symbolische betekenis: de koningin kan zich van alle figuren op het bord het meest vrij bewegen en beschikt over unieke macht. Sofonisba schilderde het tafereel met een bijna Hollandse intimiteit. De figuren zijn van een verbluffende levendigheid: er is kennelijk een discussie gaande tussen de twee speelsters over de zwarte koningin die Lucia net geslagen heeft. Elk detail op het doek, het brokaat van de kleren, het kleed op tafel, de boom en het landschap op de achtergrond is met miniaturistische precisie geschilderd, maar desondanks is het schilderij pedant noch stijf. Eerder ontspannen.

Het is jammer dat Sofonisba maar weinig van dergelijke doeken heeft geschilderd. Het grootste deel van haar werk omvat portretten, die vaak aan een voorgeschreven patroon moesten beantwoorden. Maar ook in dit formelere werk gaat het haar steeds om de menselijkheid van de geportretteerde, er is een opmerkelijke levendigheid in de uitdrukking, er zijn altijd details die toespelingen bevatten op de levensomstandigheden van de persoon in kwestie. Daarnaast werkte zij als een miniaturist aan elk juweel, elk haartje, elk draadje en was schoonheid duidelijk haar doel. Sofonisba Anguissola was geen schilderes die ontluisterde, de kijker met de gruwelijke werkelijkheid in het gezicht wilde springen. Haar versie van Il Vero liet zij steeds zo fraai mogelijk uitvallen. Dat lukte haar zelfs bij het portret van de gedegenereerde gebochelde Don Carlos, die er op haar doek opeens als een acceptabele kroonprins uitziet. Hij liet dan ook dertien kopieën maken van dit portret.