'Ik laat mijn dieren hier niet alleen'

DEN BOSCH, 3 FEBR. Op twee stevige pakken veevoer zit een bleke man in een blauwe overall. Naast hem staan een thermosfles en een tas met een pakje brood. Onopvallend volgt hij de bewegingen van een prachtige zwarte hengst die aan de teugel over het door mest glibberig geworden pad wordt geleid. In de Brabanthallen bij Den Bosch zijn de voorbereidingen voor de jaarlijkse nationale hengstenkeuringen in volle gang.

Veehouder D. Koers (50) uit het Gelderse Hoenzadriel heeft andere zorgen. Met hulp van dorpsgenoten heeft de alleenstaande boer in de nacht van maandag op dinsdag zijn bedrijf in de Bommelerwaard haastig ontruimd. “Mijn zondagse pak hangt op zolder, ik heb alleen wat ondergoed en een paar zakdoeken meegenomen.” Om vier uur waren de beesten geladen en een uur later stonden ze in de provisorisch ingerichte stallen van de Brabanthallen.

Koers houdt nu de wacht bij zijn 23 drachtige koeien. Ook 's nachts, dan kruipt hij in het stro. De beesten kunnen hem allemaal zien liggen. Hij heeft deze week nauwelijks geslapen, maar dat is niet van belang. Hij wijst achter zich en zegt trots: “Echte ouderwetse koeien van het Maas-Rijn-IJssel-soort. Je ziet ze bijna nergens meer.” Het zijn grote roodbonte beesten met een brede kop en op het voorhoofd grappige krulletjes. De waarde wordt geschat op een kleine 2.000 gulden per stuk: “We noemen ze ook wel dubbeldoelkoeien. Eerst geven ze melk en dan vlees.”

Over vier maanden moeten de dieren van Koers kalven. “Daarom is het belangrijk dat ze rustig blijven. Dat lukt zolang ik er bij ben. Ze zien me, horen mijn stem. Daar reageren ze op”, zegt hij. Overdag zit hij op de pakken veevoer, maakt een praatje, loopt wat heen en weer. Zijn zwager of schoonzus aan de andere kant van Den Bosch komen hem iedere dag halen voor een warme maaltijd en halverwege de avond is hij weer terug bij zijn koeien.

In de Brabanthallen is bedrijfsleider G. Pijnenburg verantwoordelijk voor de noodopvang. Met twaalf vrijwilligers van de nabijgelegen agrarische school heeft hij in de afgelopen dagen ruim 1.200 koeien, schapen en paarden 'opgevangen'. “'s Morgens om zeven uur komen ze de beesten vers water geven en daarna stuur ik ze de stront in. Mest ruimen. Soms komen de eigenaars zelf om te melken, anders doen wij dat voor ze. Halverwege de morgen staat alles er weer netjes verzorgd bij”, meldt Pijnenburg. De eigenaars reageerden heel verschillend op de gedwongen evacuatie: “Sommigen waren behoorlijk in de war.” De helft van de have kon binnen twee dagen naar stallen van behulpzame boeren in de omgeving worden vervoerd, nu staan er nog iets meer dan 600 dieren. Van de 30.000 vierkante meter in deze veemarkt annex partycentrum is eenderde ingericht als noodverblijf. Een voederfabriek zorgt voor de proviand, bedrijven leveren vers stro en hooi.

Pijnenburg wijst op een paar stevige kooien. “Daar staan jonge stieren, die kun je niet zomaar ergens neerzetten. Ze zijn vreselijk sterk. Een geluk dat we die hekken nog hadden, anders was het een levensgroot probleem geworden.” Er staan meer dan honderd meststieren, drie per kooi. In een hoek staan geiten en schapen dicht op elkaar.

Het onophoudelijke geloei van de koeien onder de hoge halfronde daken in de hallen wordt stevig weerkaatst. “Het klinkt of er heel wat aan de hand is, maar ze hebben het hier goed hoor. Een paar zijn wat van slag, dat is toch niet zo vreemd?” Hij wijst naar pinken, vaarzen en melkkoeien: “Je moet het spul een beetje gescheiden houden, anders gebeuren er ongelukken.” Een paar tellen later gromt hij: “Verdorie, wat is dit nou?” Een van de graskalveren heeft een bloedende wond op de rug. Pijnenburg veegt er met zijn hand over: “Valt mee, een stoot van een hoorn, dat gaat vanzelf over.”

Vrijwilligers dragen vers hooi naar binnen, enkele boeren maken de melkmachines in orde. De produktie ligt gemiddeld zo'n vier à vijf liter per keer lager dan normaal. Veehouder J. van Herwijnen uit Kerkdriel laat zijn ogen spiedend over de hokken gaan. Hij mist twee 'blonden', koeien van het d'Acquitaine-ras. Ze zijn volgens hem “makkelijk” drieduizend gulden per stuk waard. In de drukte van maandagnacht is hij vergeten te vragen waar de transporteur ze naar toe zou rijden. Gistermorgen is Van Herwijnen gaan zoeken en kwam al gauw een collega tegen die zes dikbillen kwijt is. De rest van Van Herwijnens beesten staan in Berkel Enschot. “In een oud Trappistenklooster. Geestelijk bekeken dus wel een goede plek, maar het blijft een grote ellende. Twee zijn er al dagen aan de diarree, die zal ik misschien af moeten maken. Ze kunnen absoluut niet tegen dat opjagen en verplaatsen.”

Zijn dorpsgenoot H. van Doormale helpt bij het zoeken. Hij zegt: “De beesten kennen je, ze horen bij het huis. Als ze me zien, trekken ze met hun tanden aan mijn jas. Zo van: neem me nou mee.” Maar echt zorgen over de koeien heeft Van Doormale nog niet. Wel over zijn champignonkwekerij. “Normaal ga je elke dag vier, vijf keer de temperatuur controleren. Ik ben er al geen dagen geweest, de eerste en de tweede vlucht (oogst of pluk, red.) zijn verloren. Zeker weten. Per vlucht gaat het om 2.500 kilo, opbrengst ongeveer zesduizend gulden.”

Koers neemt moeizaam plaats op de zakken veevoer. “Ik kan niet zo lang staan, nogal last van mijn rug.” Het brengt hem op de aankondiging: “Moet je eens kijken hoeveel boeren er volgende week ziek zijn. Nu moeten ze in beweging blijven, maar als alles weer een beetje normaal draait, knapt de een na de ander af.” En hoe lang denkt hij het zelf vol te houden? “Ik hoorde dat we misschien pas over vijf dagen terug mogen, nou dat moet dan maar. Ik laat de dieren hier niet alleen.”