Ik deed slechts mijn plicht

Toen ik nog jong was, was ik van plan later beroemd te worden als Redder van levens. Vaak zag ik mijzelf door een oerwoud sjokken, en dan kon het gebeuren dat iemand uit het gezelschap door een giftige slang werd gebeten. Ik sneed de wond open en zoog het gif eruit. Soms kon je me na zo'n redding in de armen van een jonge arts vinden, liefst aan de rand van een meer. In elk geval ging de zon dan onder en kwam de maan net boven de kim uit kijken.

Ik kwam ook wel eens in de krant. Jonge helden zeiden vroeger: 'Ik deed slechts mijn plicht.' Dat zei ik dus ook tegen de verslaggevers, terloops en tot vervelens toe: 'Ik deed slechts mijn plicht.' Op een zeilschip in een vliegende storm het gescheurde grootzeil met mijn blote handen aan elkaar knopen. Over een bergpas klimmen en vijf verdoolde herders onder de sneeuw uit graven. Een brandende kathedraal, op het punt van instorten, daar haal ik nog even een vergeten baby uit. Geschroeide haren . . . Ik deed slechts mijn plicht en er bestond niets leukers.

Een poos geleden stond er een paar keer een foto van me in de krant. Als ik die zie, heb ik een heel ander gevoel dan vroeger, toen mijn foto als Redder van Levens in de kranten kwam. Dat was toen heel normaal, want ik had immers mijn plicht gedaan! Maar nu, waarom nu? Mijn leven heb ik niet gewaagd om in de krant te komen.

Ik ging bij Iris Le Rütte op bezoek, die de tekeningen bij deze stukjes maakt. Ze heeft een atelier in een oud schoolgebouw in Amsterdam, op de vierde verdieping. Als je bij haar boven bent, kijk je ver over water uit.

Bij Iris binnen is ook van alles te zien, want ze tekent niet alleen, ze maakt ook grote beelden. En kleintjes, van zilver. Ik vertelde haar dat ik die morgen op mijn eigen gezicht was uitgegleden. Dat ging zo: Ik kwam de deur uit en op de stoep lag een tot pulp verregende krant. Ik maakte een schuivert, en was bijna gevallen. Kwaad keek ik naar die krant - en zag mijn eigen gezicht. Het keek, ook kwaad, terug. Dit is een boodschap, dacht ik. Ik schrijf niet meer, ik hou er mee op.

Er was een oliekachel in het atelier en die kachel begon een beetje te stinken. Iris zette het raam open. 'Moet je kijken, wat een wind,' zei ze. 'Er waait een krant helemaal tot hier.'

Ze probeerde de krant te pakken, hing gevaarlijk ver uit het raam, strekte haar arm uit . . . Even dacht ik dat ik haar redden moest, aan mijn tenen aan de vensterbank hangen om haar nog net te kunnen grijpen. Maar helaas, het was niet nodig. Iris pakte de krant uit de lucht en was nog steeds veilig binnen. Ze deed het raam dicht en legde de krant op de tafel. Het was een Kinderpagina van de NRC, met een Brief uit Granada, door Els Pelgrom, tekening Iris Le Rütte.

Ook wij doen slechts onze plicht.