Het lopende vlees dat mijn oom moet heten; Sprookjesachtige verhalen van Maarten Biesheuvel

Maarten Biesheuvel: Het wonder. Uitg. Meulenhoff, 141 blz. Prijs: ƒ 19,90.

De nieuwe verhalenbundel van Maarten Biesheuvel, Het wonder, is minder nieuw dan hij lijkt. De acht verhalen, met mooie titels als 'Belevenis op het grasgazon aan de voet van het moderne hoofdgebouw van een inrichting voor geesteszieken', verschenen eerder als bibliofiele uitgave van Avalon Pers. Ook thematisch is er niet echt sprake van 'nieuwe' verhalen. De hoofdpersonen, of ze nu Maarten of Ben heten of naamloos zijn, dragen zoals meestal bij Biesheuvel boven hun hoofd een levensgroot, bijna angstaanjagend vraagteken; ze zijn zonder pauze in de weer met het hoe en waarom van onbegrijpelijke menselijke creaties en 'het wonder' van de Schepping.

Soms bezwijken ze bijna onder dat vraagteken; zoals Ben in het ontroerende verhaal 'De vleugel' - ontroerend omdat niet Ben zelf aan het woord is, maar zijn vrouw Saar. In een lange, grillige innerlijke monoloog vol geestige prozaïsche terzijdes, probeert zij lijn te brengen in het geplaagde solipsistische brein van haar man. Het wonder draagt voor hem verschrikking in zich: 'Honderden vragen komen op me af, o Oorzaak van het Heelal kom tot mij om die storm en stortvloed van vragen te keren.' Het zijn vragen die eens allemaal beantwoord konden worden met 'God'. Maar: 'Ben is volkomen zonder God.'

Elders in de bundel, onder meer in de fantastische geschiedenis 'Ere-admiraal Wyntham Cremer', geldt het vraagteken de mens: 'Wat kunnen toch zijn zieleroerselen zijn geweest, wat zijn drijfveren, wat zijn verschrikkingen?' Dat is typisch Biesheuvel-gepieker. De 'Maarten' van dit verhaal is pas gerustgesteld als hij heeft vastgesteld dat meer mensen zijn als hij: 'romantisch absurdist' of 'absurdistisch romanticus'. Waarbij het heroïscher is om 'romantisch' te zijn dan manisch depressief, lezen we in 'Hoe mijn psychiater aan zijn kleine wonderbibliotheek is gekomen'. Manisch depressief is 'een akelig woord en doet me aan plakplastic denken. Trek de rommel plastic weg en er komt oud verweerd prachtig hout te voorschijn: 'Romantisch'.'

Tegenover dit gepieker, het 'gepijnig met onzin', staan weer sprookjesachtige visioenen van rust; stilte in het hoofd.

Zoals in 'Mstislav', de naam van een vriendelijke koning die een blikje paté uit het raam heeft laten vallen: 'Hij stelde zich voor hoe nu één van de grote honden, beneden aan de lijn in de hand van een jongeman uit een ver dorp, die het als een eer beschouwde om de hele nacht rond het paleis te wandelen en orde op zaken te houden, het blikje gretig met zijn grote, bewegelijke, rose en natte tong uitlikte.'

Vertrouwd terrein, deze verhalen. Maar ze zijn mooi geschreven - mooier soms dan Biesheuvels oudere werk. In 'Mstislav' komt de serene rust van het sprookje ook tot uitdrukking in kalme, deinende zinnen, zoals de hierboven geciteerde. Ze contrastreren fraai met het amechtige proza waarin in 'De vleugel' de paniek van Ben is vastgelegd. En 'Ere-admiraal Wyntham Cremer' heeft bij vlagen een poëtische - niet 'naïeve' - kwaliteit die je bij Biesheuvel niet zo vaak ziet. 'Ze kon zich snijden aan het riet maar niet op de kant komen.'

Maar het hoogtepunt van de bundel is, wat mij betreft, het korte, kafkaëske 'Belevenis op het grasgazon...' Het beschrijft een bezoekje van de ik aan een 'geesteszieke' oom, dat uitdraait op een nachtmerrie-achtige confrontatie met een andere patiënt: de architect die de inrichting heeft ontworpen. De architect komt wijzend naar het gebouw op de ik af gehold. Alsof hij in de ik een lotgenoot herkent, iemand die net als hij is 'opgenomen' in zijn kunst. 'Onderdehand maakte hij knikkende bewegingen met zijn hoofd. Het maakte op mij (-) de indruk van een bevestiging. Maar waarvan?'

Het verhaal is uiterst geconcentreerd geschreven, opgebouwd uit de ene vreeswekkende zin na de andere. Ze laten zien dat er in de verhalen van Biesheuvel nog wel degelijk ontwikkeling zit: 'De hele dag bleef ik vriendelijk en lacherig tegen het lopende vlees dat door familieomstandigheden mijn oom moet heten, ja vaak bood ik het nog iets lekkers aan. Maar men had de poort van de inrichting nog niet achter mij gesloten of ik barstte in tranen uit.'

FRAGMENT UIT: MAARTEN BIESHEUVEL, HET WONDER

Altijd schuld, schaamte, soberheid en angst. En dan die viool. Twintig jaar heeft hij geprobeerd de Chaconne van Bach te spelen. Het was hem nooit naar 't zin. Ook dat is een lange gruwelijke hel geweest, zijn discipline duwde hem tot het diepst, verschuilen kon hij zich niet. Zijn wetenschap was de tweede hel, zijn somberheid de derde. Hij heeft wel eens voor mij gestaan met een broodmes. 'Ik zal je offeren en uit je lijden verlossen!', zei hij. Toen heb ik het slim aangepakt. Ik ben gaan bidden terwijl ik niet kan bidden en ten slotte, na tien minuten, sprak ik: 'Je moet het brood offeren.'