Politiek gaf Randstad met dijk voorrang

DEN HAAG, 2 FEBR. Dat grote delen van het zuiden, oosten en midden van Nederland onder water zijn gelopen en het westen droog staat, is ook een gevolg van een bewuste politieke keuze.

“Eerst moeten de economisch belangrijke delen van Nederland beveiligd worden”, zei minister Smit-Kroes (verkeer en waterstaat) in 1988 in de Tweede Kamer. “De economische draagkracht van deze gebieden kan een eventuele overstromingssituatie in andere gebieden opvangen, andersom is dat niet het geval.”

Niemand sprak haar tegen. Al sinds de watersnoodramp van 1953 was de algemene overtuiging dat West-Nederland eerder en beter tegen overstromingen moest worden beveiligd dan de rest van het land. Ook de Deltacommissie, ingesteld na de ramp die 1800 mensen het leven kostte, was in de jaren vijftig tot die conclusie gekomen. Zij onderstreepte de belangen van “Centraal Holland” en legde voor dat gebied hogere veiligheidsnormen aan dan voor elders.

Smit-Kroes deed haar uitspraken in de Kamer naar aanleiding van dreigende problemen in Zuid-Holland met het dijkverzwaringsprogramma. Nieuwe berekeningen hadden uitgewezen dat ingrijpender versterkingen nodig waren om te voorkomen dat Rotterdam zou onderlopen. Om niet delen van 's werelds grootste havenstad en bijvoorbeeld ook Dordrecht opnieuw op de schop te moeten nemen, koos de minister voor een stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg. Dat was efficiënter, maar ook een miljard duurder.

Een kwart van dat bedrag, vond de minister, kon wel uit de budgetten voor het verbeteren van de rivierdijken worden gehaald. De provincies en de waterschappen protesteerden. Maar Smit-Kroes zag geen andere mogelijkheid. “Ik vind deze temporisering verantwoord”, schreef ze februari 1989 aan de Tweede Kamer. “De veiligheid van de ver onder de zeespiegel gelegen Randstad heeft een hogere prioriteit dan de bescherming tegen hoog oppervlaktewater van de grote rivieren. Indien overstroming in het bovenrivierengebied optreedt, loopt het water grotendeels langs natuurlijke wijze weg, bij onder de zeespiegel gelegen gebied is dit niet het geval.”

Het gevolg was dat de uitvoering van de werken aan de rivierdijken werd vertraagd. In de regeerakkoorden van de eerste twee kabinetten-Lubbers was voor de versterking daarvan nog 1998 als jaar van voltooiing opgenomen, terwijl voor de meest urgente delen (het benedenrivierengebied, dus het westen) 1990 gold. Het beoogde eindjaar 1998 verschoof. Dat zou niet de laatste keer zijn.

De nieuwe berekeningen hadden uitgewezen dat de dijkverbeteringen in het bovenrivierengebied eveneens meer geld zouden vergen, maar dat kwam slecht uit in een periode waarin vermindering van het financieringstekort een steeds hogere prioriteit in de politiek werd. De einddatum ging steeds verder naar achteren: naar 2000, naar 2003/2004 en dus werd het tempo van de werkzaamheden navenant vertraagd.

Zo ging het in de jaren daarna verder, toen ook de landschappelijke bezwaren tegen grootscheepse dijkverhogingen hun invloed steeds meer deden gelden. Als jaar van voltooiing geldt nu 2008, een vertraging van tien jaar.

Pag.2: Kamer greep niet in

Toch was sinds jaar en dag bekend dat het er met de rivierdijken niet goed voor stond. In 1983 rapporteerde de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen aan minister en parlement haar bezorgdheid daarover. De commissie waarschuwde dat “indien de hoogst berekende afvoer (1926) opnieuw zou optreden, gevreesd moet worden dat vele dijken die toen stand hebben gehouden, nu grotere kans lopen door te breken”.

Desondanks golden ook andere 'beleidsoverwegingen'. Het werk aan de dijken moest ook weer niet te snel gaan, liet de minister dat jaar aan de Tweede Kamer weten. “Een sterke concentratie van de activiteiten in een beperkt aantal jaren is uit een oogpunt van werkgelegenheid ongewenst”.

De Tweede Kamer botste regelmatig met de minister over het tempo waarin de rivierdijkversterkingen werden uitgevoerd. Maar ze greep nooit echt in. Ook niet toen Maij-Weggen als minister Smit-Kroes was opgevolgd en in dezelfde financiële problemen kwam te verkeren. In februari 1990 verzette de Kamer zich door middel van een motie die de minister “ernstig ontraadde”, maar die niettemin met steun van CDA, PvdA, VVD en SGP werd aangenomen. De Kamer wilde geen uitstel van het dijkversterkingsprogramma naar 2000 of 2004. “Op veiligheid mag niet bezuinigd worden”, zei Van den Berg (SGP).

Maar nog geen half jaar later legde Tweede Kamer zich alsnog bij het uitstel neer. Het is hoe dan ook niet mogelijk om de dijkversterkingen deze eeuw af te ronden, liet Maij-Weggen weten. Planologische procedures en grondmechanische werkzaamheden verhinderden dat. Daarmee waren ook de financiële problemen van de minister, alsmede haar conflict met de Tweede Kamer, uit de wereld. “Soms”, zei het Kamerlid Zijlstra toen, “lost de tijd de problemen op.”