Overleg over kwaliteit water, niet over kwantiteit

BRUSSEL/ ROTTERDAM, 2 FEBR. Tussen de landen langs de Rijn heeft al jaren overleg plaats over het water in de rivier. Over de Maas gebeurt dit sinds kort ook. Maar tot nog toe gaat dat vooral over de kwaliteit van het water, en nauwelijks over de kwantiteit.

Sinds de jaren vijftig wordt in de Internationale Rijncommissie overlegd over bijvoorbeeld zoutlozingen en andere chemische verontreiniging. In 1976 werden het Rijnzoutverdrag en het Rijnchemieverdrag getekend. De stoot tot verbetering van de waterkwaliteit gaf echter het Rijnactieprogramma, een rechtstreeks gevolg van de ramp bij Sandoz in Bazel. De vervuiling van de Rijn is sindsdien aanmerkelijk afgenomen.

Pas de laatste jaren is er in het internationale overleg ook aandacht voor hydrologische aspecten. Er bestaat onder meer een gezamenlijke wetenschappelijke werkgroep van de Internationale Rijncommissie en de Commissie Hydrologie van de Rijn. Deze werkgroep heeft een vuistdik rapport gepubliceerd waarin het hele Rijnstroomgebied in zijn hydrologische aspecten wordt beschreven. De laatste jaren hebben de onderzoekers zich ook beziggehouden met het ontwikkelen van modellen voor neerslag en voor de looptijden van hoogwatergolven. Politieke consequenties worden er uit het onderzoek nog niet getrokken, want dat is in de geldende verdragen niet geregeld.

Op de ministersconferentie van de Rijnstaten van 8 december vorig jaar zijn echter de eerste richtlijnen opgesteld om een nieuw Rijnverdrag te sluiten. Er is ook een punt in opgenomen over de optimalisering van de waterafvoer. De bewindslieden hebben uitdrukkelijk gesteld dat het de bedoeling is het stroomgebied daarbij in zijn geheel te beschouwen. De ministers kwamen ook overeen de informatie-uitwisseling over de waterafvoer al wel in de lopende werkzaamheden onder te brengen.

Concrete voorstellen om hoogwateroverlast te beperken zijn bijvoorbeeld het scheppen van polders en het verleggen van dammen in Zuid-Duitsland, om net als vroeger overstromingsgebieden te maken. Ook in Midden-Duitsland is ruim 1.700 hectare aan overstromingsgebied gepland.

Voor de Maas is internationaal aanzienlijk minder geregeld dan voor de Rijn. Het Verdrag inzake de bescherming van de Maas is nog maar net door de betrokken landen en gewesten - Nederland, Vlaanderen, Wallonië, Brussel en Frankrijk - ondertekend. Op dit moment worden commissies ingesteld die het praktische werk binnen het kader van het verdrag moeten gaan doen. Maar eer formaliteiten als het opstellen van huishoudelijke reglementen zijn voltooid is het wel april. De feitelijke inwerkingtreding van het verdrag wordt in de zomer verwacht. Pas dan kunnen allerlei maatregelen worden genomen zoals het sluiten van contracten of het uitgeven van geld.

In het Maasverdrag is wel enige aandacht voor hydrologische aspecten, maar die spelen geen prominente rol. Net als bij de Rijn gaat het vooral om de kwaliteit van het water. Nederland hecht door zijn ligging veel belang aan de waterafvoer, maar aangezien de commissies inhoudelijk nog niet zijn begonnen, is nog niet duidelijk in hoeverre de andere verdragspartners Nederland daarin steunen. Bekend is dat Vlaanderen er ook wel belangstelling voor heeft, maar bij de andere partners heeft het nooit hoog op de agenda gestaan. Wellicht verandert dat, nu ook Dinant is ondergelopen.

Toch wordt tussen Nederland en België al heel lang op verschillende manieren samengewerkt op het gebied van waterbeheer, zegt G. Van Droogenbroeck, ingenieur-directeur van de afdeling Maas en Albertkanaal van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap. “Ten eerste bestaat er sinds 1863 een overeenkomst die bepaalt dat beide landen geen werken binnen driehonderd meter afstand van de Maas zullen verrichten zonder wederzijdse toestemming.” Ook heeft twee keer per jaar officieel overleg plaats tussen zijn dienst en Rijkswaterstaat-Limburg. “Dan worden hangende zaken besproken met betrekking tot beheer en onderhoud van de Maas.” Verder is er het Grensmaasproject, dat vooral is gericht op het milieu. “In het kader van dit project, dat valt onder de Benelux, worden studies en milieu-effect-rapportages uitgevoerd”, legt Van Droogenbroeck uit.

Waarschuwing voor hoogwater wordt uit België doorgegeven via de dienst hydrologisch onderzoek in Brussel. De hydrologische dienst van het Waalse gewest stuurt bij hoogwater automatisch gegevens naar het RIZA (Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling) in Lelystad. Met behulp van die gegevens worden in Nederland voorspellingen gedaan over de waterstanden, die weer doorgegeven worden aan de hydrologische dienst van het Vlaamse gewest. “De uitwisseling van gegevens met Rijkswaterstaat-Limburg gebeurt op een prachtige manier”, vindt J. Heylen, hoofd van de hydrologische dienst van het Vlaamse gewest. “Het loopt vooral via persoonlijke contacten. We bellen veel en zien elkaar regelmatig. Die contacten hoeven niet verder geïnstitutionaliseerd te worden.”

In het kader van de Europese Unie bestaat geen samenwerking op het gebied van het beheer van de waterwegen of in de vorm van een waarschuwingssysteem bij hoogwater. De Unie houdt zich wel bezig met de kwaliteit van het watermilieu en, in toenemende mate, met de economische aspecten van de binnenvaart. Overige afspraken worden tot nu toe aan de 'waterstaten' zelf overgelaten.

Naar aanleiding van de huidige watersnood heeft de Europese Commissie deze week gezegd dat een Europese aanpak nodig is. Een werkgroep van de Europese Unie zal de oorzaken van de massale wateroverlast analyseren en een strategie ontwikkelen die efficiënt optreden op langere termijn mogelijk moet maken.