Kwispedoors

Felix heette mijn eerste, mijn lagere-schoolliefde. Felix, zoals in Felix Austria. Die term komt uit een Latijnse spreuk die behelst dat andere landen oorlogen voeren, maar het gelukkige Oostenrijk door huwelijken tot fortuin komt. (Zo'n spreuk blijft gewoon bestaan, terwijl hij in strijd is met alle feiten. Oostenrijk heeft in zijn geschiedenis niet zo veel vrede en geluk gekend.)

Maar aan het prille begin van de jaren zestig heerste in Wenen voor zover wij konden zien, in ieder geval rust. Wij kinderen waren onvoorstelbaar bedeesd. Felix heeft in de klas één of twee keer mijn zilveren armbandjes aangeraakt, als ik mijn pols bij wijze van lokaas vlak bij hem in de buurt legde. Meer is nooit tussen ons voorgevallen. Het gerucht dat hij zich een keer had afgezonderd met mijn vriendin Maria Haban deed mij natuurlijk wel verdriet. Maar wat Felix en Maria samen gedaan konden hebben, daarvan had ik eigenlijk geen voorstelling.

Het leven in Wenen vormde ogenschijnlijk nog één geheel met vroeger. De kruidenier in onze buitenwijk, Herr Babel, kuste wanneer hij maar kans zag de hand van mijn moeder, die in die jaren stralender was dan ooit. Küss die Hand, Frau Direktor. Christl, het meisje van het platteland dat bij ons werkte, gaf hij wel eens een hoofse kus op het voorhoofd. Ons kinderen kuste hij gelukkig nergens.

Dat Oostenrijk inmiddels zo'n onbetekenende republiek was, was een beetje per ongeluk. In het paviljoen in het Prater werkte nog een ober die als jongetje de keizer, Franz Joseph, zelf had bediend. (Nu was hij even stokoud als de keizer toen die in 1916, na achtenzestig jaar regeren, overleed.) Uit het museum voor Natuurlijke Historie was pas onlangs de opgezette neger, ooit hoveling van Joseph II, verwijderd die daar altijd te kijk had gestaan.

En over het drama te Mayerling, waar Kroonprins Rudolf samen met zijn minnares een eind aan zijn leven had gemaakt, werd slechts op geheimzinnige toon gesproken, alsof het kort geleden was gebeurd, en niet ruim zeventig jaar eerder.

Kwispedoors heb ik in Wenen nooit gezien, die waren zelfs daar al in onbruik geraakt. Wel had ik ervan gehoord, in een liedje dat mijn vader ons in een onbewaakt moment had geleerd. De tekst is zo onsmakelijk dat ik hem nog steeds niet zou durven citeren. (Het gaat over kleine Jantje, vraag het een bejaarde in uw omgeving.)

Een kwispedoor is een meubelstukje om in te spugen. Op een tentoonstelling over het Weense Biedermeier die nu in Den Bosch wordt gehouden staan, verrassend genoeg, wel elf kwispedoors: van gefineerd note- of mahoniehout, sober maar sierlijk op pootjes of een zuil. Zij zijn duidelijk allemaal gebruikt, want uitgesleten (-gebeten?) van binnen. Dat is wel een beetje vies om te zien.

Als je er over nadenkt heeft het iets ingenieus, om de Weense cultuur aan het begin van de vorige eeuw - want toen was het Biedermeier - zo deugdzaam, zo bedeesd, aldus te illustreren. Wie naar de schilderijen uit die tijd kijkt ziet de Weners en hun idyllische omgeving zoals zij dertig jaar geleden ook waren, en waarschijnlijk nog zijn. Het baronesje op een portret van Friedrich Amerling, dat ook op het affiche staat, zou met haar rode wangen best mijn vriendin Maria Haban kunnen zijn. En het 'nieuwsgierig Aagje' van Peter Fendi uit 1833 onze Christl.

Hoe maak je nu duidelijk dat al die deugdzaamheid maar een pose is, dat alle schoonheid en burgerzin, ja zelfs de sociale bewogenheid op andere schilderijen, niet letterlijk kunnen worden opgevat? Nu, dan leg je bij het meubilair de nadruk op een verwaarloosd hoofdstukje uit de meubelgeschiedenis: kwispedoors. Keurige opvangpotten voor uitgekauwde pruimtabak en opgekropt venijn, geleend uit het voormalige keizerlijkkoninklijk hofmeubeldepot.

Wenen is tenslotte niet voor niets de stad van Arthur Schnitzler en Sigmund Freud. De stad waar in de vorige eeuw al zo veel moest worden weggemoffeld dat ze er nog steeds niet helemaal van zijn hersteld. Een Nederlands schoolmeisje kon dat niet weten, maar Herr Babel - reken maar.

T A F E L & B E D