Forsythe verbrijzelt de tijd bij de gratie van de dans

Voorstelling: Eidos: Telos door het Ballett Frankfurt. Choreografie: William Forsythe. Muziek: Thom Willems. Kostuums: Naoki Takizawa en Stephen Galloway. Gezien 28/1, Frankfurt, Opernhaus. Herhalingen aldaar op 2, 4, 5 en 11/2.

In de grote glazen foyer van het theatercomplex in Frankfurt waar het Opernhaus is gevestigd en waar het, nu tien jaar door de Amerikaan William Forsythe geleide, Ballett Frankfurt zijn domicilie heeft, hangen monitoren. Wachtend op de wereldpremière van Eidos: Telos, Forsythe's nieuwste avondvullende ballet, leest het publiek de wit op zwart voorbijrollende teksten van zijn hand. Het zijn kreten zoals Amerikaanse beeldende kunstenaars ze vaak slaken: gewild filosofisch en niet altijd zo diepgravend als hun loodzware formulering doet vermoeden. Twee kleine zinnen blijven bij me hangen: 'except for the point, the still point, there would be no dance. And there is only dance''. Ik ga de zaal binnen voor deel I van Eidos: Telos en krijg direct te zien wat die zin betekent. Ademloos ben ik getuige van dat 'stille punt' dat voor Forsythe doorslaggevend is. Het sleurt me binnen in een blok verbrijzelde tijd dat bestaat bij de gratie van de dans, en zonder moeite zie ik in dat Forsythe gelijk heeft: 'En er bestaat uitsluitend dans''.

bpbpDe speelvloer wordt beheerst door klokken - ronde op de grond staande klokken, een metronoom en een digitale klok op een monitor. Het ballet begint, de klokken gaan lopen. De violist Maxim Franke speelt de weerbarstige muziek van de Nederlandse componist Thom Willems die Forsythe al vele jaren inspireert. Het Forsythe-vocabulair is evident aanwezig: de hoogop uitgedraaide heupen, de omgeknakte gewrichten, de geordende wanorde, de variaties van het tarten van de zwaartekracht, de versnelling die voorbij is voor je je ervan bewust was. Maar het lijkt of Forsythe een stap verder heeft ontdekt, doordat hij besloot om de tijd zelf te lijf te gaan. De klokken lopen, maar ze bekommeren zich niet om doe tijd, snel, langzaam, achteruit en allemaal anders. De digitale tijdmeter gedraagt zich het onbetrouwbaarst en maakt, samen met de klaarblijkelijke vrijheid van de dansers, van dit werk bijna een reactie op het computer- en tijdgestuurde Ocean van Merce Cunningham dat afgelopen zomer in het Holland Festival werd uitgevoerd. Kijk eens, lijkt Forsythe te zeggen, je kunt een klok opxphangen en bewegingen afhankelijk maken van de computer, maar je levert je uit aan manipuxpleerbare machines. Liever dan dat manipuleert hij zelf en nog liever geeft hij zijn, stuk voor stuk in zijn veeleisende bewegingstaal excellerende, dansers gelegenheid om te manipuleren.

De zes dansers in hun onopvallende bruine en gele kostuums maken op hun beurt de tijd stuk. Ze houden de strijkstok van de violist even tegen, ze doorkruisen de schetterklanken van drie langzaam op de achtergrond voorbijwarende trombonisten met hun stem of met onvoorzien gegalm van de enkele reuzensnaren die in alle drie de onderdelen van dit ballet steeds elders het podium omspannen. En ze delen het ballet in zoals zij dat willen, waarbij een klap in de handen of een halfluid 'go!' de samenhang tussen hun acties waarborgt. De Nederlandse danseres Rachel Beaujean die in 1993 een sleutelrol vervulde in Forsythe's Artifact omschreef in een vraaggesprek met deze krant die methode als volgt: “Forsythe's passen zijn de woordenschat, de zinnen moet ik zelf maken”.

In deel III van Eidos: Telos, de aan het Oudgrieks ontleende titel die de gestalte van de dans zich laat verhouden tot het doel, en wellicht, in een tweede betekenis van deze woorden, de Idee erachter tot de Dood, werkt Forsythe het af- en wegbreken van de tijd ten behoeve van het ontstaan van de dans verder uit. De dansers, inmiddels aangegroeid tot het complete ensemble, vlokken op de muziek van weggemoffelde, langgerekte tromboneklanken over het speelvlak. Elk zoekt het duet, dat na een korte heftige samenspraak en gestuurd door heftig gedraai uiteen dient te vallen voor nieuwe duetten. De klokken zijn weg: overbodig in deze tijdloze bel waarin de bewegingen associaties oproepen met de zuchtjes eeuwige muziek die Anton Webern componeerde.

Helder zijn die delen I en III en ze maken deel II overbodig. Deel II verzorgt de theorie achter de beide andere delen. Deel II werd het meest toegejuicht door het publiek, wellicht omdat het veel bekends liet zien, want in dat onderdeel toonde Forsythe wat hij al jaren doet. Een performance-achtig tableau ontrolt zich en alles wat de delen I en III zo meeslepend impliciet beweegt, wordt hier onverbiddelijk gearticuleerd. Een devoot walsende rij dansers en danseressen in balrokken met hoge queue's zorgt even voor een geslaagd beeld, maar wordt onderbroken door een Amerikaanse danser die een monoloog uithijgt over hemzelf en Jimmy Durante, hemzelf en Frank Sinatra, hemzelf en hemzelf, kortom zo'n door Amerikaanse kwasi-mythen bepaalde alleenspraak die te bekend is om nog te prikkelen.

Brandpunt van deel II zijn de violist Maxim Franke voor wie Willems een melancholiek motief componeerde en een danseres in een oranje strapless baljurk uit het atelier van Issey Miyake. Gekweld ijlt ze van hot naar her, propt driftig een knoet geel cellofaan in een enorme spot (waarom?), laat een zeiltje dalen langs de inmiddels diagonaal gespannen reuzesnaar (hoezo toch?), gilt heel vaak op trommelvliesscheurende sterkte door de microfoon en krijt de teksten uit die we deels al kennen van de monitoren uit de foyer: “time past and time future allow but a little consciousness. To be conscious is not to be in time. Only through time time is conquered”. Wat ze zegt en doet is gezwollen en treft geen doel: haar witte wiphanden zijn koket, haar bewegingen zijn gemaniëreerd, haar woorden wollig en pretentieus en halen het niet bij wat de dans op eigen kracht weet te suggereren in de delen I en III.