'Een vrouw die niet meekookt met emoties'

Haar plan om illegalen die zes jaar 'wit' hebben gewerkt te legaliseren, stuitte op felle kritiek van de Tweede Kamer. Morgen slijpt de Eerste Kamer de messen voor een debat over de aanscherping van de vreemdelingenwet. Elizabeth Schmitz bezit als staatssecretaris van justitie de 'hoofdpijnportefeuille'. De loopbaan van de evangelisch geïnspireerde Schmitz is een moeizame strijd tussen werk en geweten.

Enkele weken geleden belde staatssecretaris Schmitz het kantoor van Pax Christi. Ze vroeg kopieën van de brieven die de katholieke vredesorganisatie in 1992 aan staatssecretaris Kosto (justitie) en premier Lubbers had gestuurd. Daarin eiste de toenmalige vice-voorzitter van Pax Christi, Schmitz, dat Nederland zich 'ruimhartiger' zou opstellen jegens vluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië. Inmiddels zelf verantwoordelijk voor de Nederlandse gastvrijheid, wilde ze haar boze brieven van toen nog eens goed bekijken.

“Het was voor ons een grote verrassing toen we hoorden dat uitgerekend zij voor die post koos”, zegt Jan Gruiters, adjunct-secretaris van Pax Christi. “Plotseling zit ze dan toch aan de andere kant van de streep.”

In 1986 kondigde zij, als burgemeester van Haarlem, juridische stappen aan tegen het plan van de toenmalige staatssecretaris Korte-van Hemel om het toelatingsbeleid te verscherpen. Vlak voor de Golfoorlog stond ze op een zeepkistje voor de Amerikaanse ambassade in Den Haag. 'Embargo ja, oorlog neen', was de boodschap die ze uit naam van de vredesbeweging gaf aan president Bush. Een maand later vertrok ze naar Israel om “samen met de mensen daar onder de Scud-raketten te zitten”.

Schmitz wist van tevoren dat ze op Justitie voor moeilijke afwegingen zou komen te staan. “Het is een sprong in het diepe. En het probleem is dat ik niet eens goed kan zwemmen”, vertrouwde ze in september vorig jaar de Justitiekrant toe. Volgens Jan Gruiters van Pax Christi is het juist “de evangelische geïnspireerdheid” die Schmitz ertoe drijft deze 'hoofdpijnportefeuille', zoals de functie op het departement wordt genoemd, te aanvaarden. “Je ziet die redenering wel vaker bij mensen: 'als ik zelf de verantwoordelijkheid heb, gebeurt het werk in elk geval op een humane wijze'. Die houding past wel bij Schmitz”, zegt Peter Idenburg, oprichter van het Research Institute for Oppressed Peoples. Het instituut, dat aandacht vroeg voor niet-erkende volkeren, was een van de vele maatschappelijke organisaties waarin Schmitz actief was.

Elizabeth Maria Alida Schmitz werd op 20 mei 1938 geboren in een katholiek middenstandsgezin in Rotterdam. Haar vader - tabakshandelaar - en moeder hadden al vier zoons. Ze deed wat meisjes in die kringen betaamde: naar de middelbare meisjesschool, secretaresse op een scheepvaartkantoor, daarna een baan als documentaliste Stichting Samenwerkende Kerk- en Onderwijssecretariaten. Haar broers gingen naar het gymnasium en de HBS. Elizabeth klom op tot adjunct-directeur van de Stichting, en studeerde via een avondstudie af in rechten. Nadat ze twee jaar gemeenteraadslid in Rotterdam was geweest voor D'66, werd ze door de PvdA gevraagd als wethouder sociale zaken en volksgezondheid. “Een prachtige tijd van idealisme”, herinnert Hans Mentink zich die D'66-periode nog. Er zou één grote progressieve volkspartij moeten ontstaan. Toen voor de raadsverkiezingen van 1974 bleek dat D'66 geen aanstalten maakte met de PvdA te fuseren, aarzelden Mentink en Schmitz niet om dan maar de overstap te maken naar de 'grootste van de volkspartijen'. Beiden werden wethouder.

“Elizabeth heeft het in die jaren niet gemakkelijk gehad”, zegt Mentink. “Als enige vrouw tussen al die rauwe PvdA-macho's dreigde ze in dat college wel eens verloren te gaan.” Schmitz' aantreden viel samen met de plotselinge stroom emigranten uit Suriname. Schmitz stelde hulpverleners aan op de Kruiskade, een ontmoetingsplek voor Surinamers. Al snel bleek dat deze hulpverleners zich ontwikkelden tot heroïne-pushers. De sociale dienst in Rotterdam kon de stroom niet aan. Ambtenaren gaven uitkeringen af zonder controle. Sommigen lieten zich omkopen. Ronselaars staken een deel van de uitkering in hun zak. Een externe onderzoekscommissie stelde de organisatorische puinhoop bij de sociale dienst aan de kaak.

Die problemen kostten Elizabeth Schmitz in 1977 bijna de kop. De gemeenteraad en ook haar eigen partij verweten haar te laat te hebben ingegrepen. Tegelijk werd toegegeven dat de verstarring ook een 'historische erfenis' was. “Ze was te aardig”, suggereert de toenmalige gewestelijk voorzitter van de PvdA, Kees van Wijk: “De zware jongens van het college zagen er geen been in drastisch de bezem door hun ambtenarenapparaat te halen. Dat heeft zij in die tijd niet aangedurfd.”

Toch maakte de reorganisatie die Schmitz doorvoerde de Rotterdamse sociale dienst tot een lichtend voorbeeld voor het hele land. Samen met de door haar aangestelde directeur Ien Dales, met wie ze een hechte vriendschap ontwikkelde, toonde Schmitz aan hoe een dienst meer kan zijn dan alleen een uitkeringenfabriek. Ze zette scholingsprojecten op en besteedde veel energie aan het welzijnswerk voor Surinamers. “We moeten die hulp agressiever aanbieden, het mensen onder de neus douwen”, zegt ze in een vraaggesprek met de Haagse Post in 1979. In datzelfde jaar doet Schmitz als eerste in Nederland een voorstel tot gratis heroïne-verstrekking onder langdurig verslaafden.

Het jaar 1982 was traumatisch voor Elizabeth Schmitz. Na twee periodes als wethouder, waarover lof werd gesproken, werd ze door het PvdA-gewest plotseling op een achtste plaats op de lijst gezet: te laag om nog voor een nieuw wethouderschap in aanmerking te komen. Van Wijk doet twaalf jaar later nog steeds geheimzinnig: “Ik ben geen Ed van Thijn die over alles wat hij meemaakt uit de school klapt.” Maar dit wil hij wel kwijt: “Het leek wel eens of Dales de wethouder was.”

Haar vroegere collega-wethouders Jan Mentink en Jan Riezenkamp reageren fel. “Het was een schoffering die minder te maken had met de kwaliteiten van Elizabeth Schmitz, alswel met de power play van een aantal kwaadwillende amateurs in de partij”, zegt Riezenkamp, directeur-generaal op het ministerie van cultuur. Hij beschrijft een cultuur van 'apparatsjiks' die “meer zochten naar marionetten dan naar zo'n mevrouw met een paar sterke eigen opvattingen over de dingen.” Zowel Riezenkamp als Mentink wijzen de suggestie van de hand dat Schmitz bestuurlijk niet zo sterk zou zijn. “Je zou je ernstig vergissen als je haar terughoudendheid voor zwakte verslijt”, zegt Mentink. “Op principes is ze buitengewoon standvastig.” “Geen thermometer, maar een thermostaat”, zo typeert Riezenkamp haar. “Ze is geen vrouw die meekookt met de emoties. Maar voor haar beleid heeft ze een aantal sterke normatieve richtsnoeren waar ze ook geen concessies aan doet: dan slaat de thermostaat aan.”

Opvallend is hoe Riezenkamp, Mentink en ook burgemeester Bram Peper achteraf de hand in eigen boezem steken. Toen Schmitz haar functie als wethouder neerlegde kwamen alleen de drugsverslaafden en de daklozen van Rotterdam in opstand. Ze dienden een petitie in: “Schmitz moet blijven. Een grandioze vrouw. Een vrouw van het volk.” Nu zegt Bram Peper: “Ze is het slachtoffer geworden van een PvdA-cultuur met sterke commando-achtige trekjes.” Riezenkamp: “Eigenlijk is Elizabeth net een mens. Ze heeft het nodig om zich veilig en geborgen te voelen. Zoals ze omgekeerd altijd aandacht voor anderen heeft. In de manier waarop wij monomaan met die stad bezig waren hebben we daar weleens te weinig oog voor gehad.” Mentink gaat nog een stapje verder: “De partij had iets goed te maken. Ik denk dat het voor Elizabeth heel belangrijk belangrijk was dat ze voor het staatssecretarisschap werd gevraagd: een soort rehabilitatie.”

Met bewonderende ogen kijken deze mannen nu naar de twee 'grandes dames op Justitie', zoals Riezenkamp het uitdrukt. Minister Sorgdrager en staatssecretaris Schmitz zouden er met hun geheel eigen bestuursstijl wel eens voor kunnen zorgen dat 'hanigheid', 'power play' en 'Bühne-vertoon' volledig uit de mode raakt. “Dat duo zet een nieuwe cultuur in die we ons zeer moeten aantrekken”, zegt Peper.

Over de periode tussen Schmitz' vertrek uit Rotterdam en het jaar dat ze burgemeester van Haarlem werd is niet veel bekend. Tussen 1982 en 1985 werkte Schmitz als persoonlijk assistent van Ien Dales, en zette zich in voor de theologie van de bevrijding, onder meer als voorzitter van de Stichting Edward Schillebeeckx. Behalve als het ging om haar geloofsovertuiging, heeft Schmitz werk en privé altijd strikt gescheiden. Riezenkamp herinnert zich de stekelige grappen die ze maakte wanneer mensen probeerden te vissen naar haar liefdesleven. “Als iemand van de Raad aan Schmitz vroeg of ze iets aan Ien Dales wilde doorgeven als ze haar in het weekend nog zag, dan zei ze: 'doe het zelf maar' ”, vertelt secretaris Roest van de Raad voor het Binnenlands Bestuur waarvan Schmitz acht jaar lid is geweest. Het meest intieme dat we over haar privéleven weten staat in een vraaggesprek met het Haarlems Dagblad. Vraag: wat is uw favoriete vrijtijdskleding? Antwoord: Spijkerbroek en klompen. Vraag: wat is het vervelendste burgemeesterklusje? Antwoord: dit soort vragen beantwoorden.

Over Schmitz' burgemeesterschap zijn voornamelijk positieve geluiden te horen. “De betrokkenheid waarmee ze op officiële gelegenheden kon spreken zijn mijn vrouw en mij altijd buitengewoon bevallen”, zegt Roel de Wit, tot vorig jaar commissaris van de koningin in Noord-Holland. “Met een paar van die hele kleine briefjes zette ze een perfect lopend verhaal neer. Geen enkele retoriek.” Volgens VVD-wethouder en loco-burgemeester Cornelis Mooi was Schmitz “iemand waarmee je op een prettige manier van mening kon verschillen.” Wel was ze als burgemeester niet altijd even duidelijk zichtbaar. In 1992 leidde dat tot een harde aanvaring met haar partij. Tijdens de begrotingsdebatten verweet fractieleider Jan Haverkort haar dat ze niet genoeg aanwezig was. Volgens Mooi en De Wit had deze aanval alles te maken met het feit dat Schmitz tussen 1990 en 1994 voorzitter was van een college waar de PvdA niet in zat. “Maar als Elizabeth ergens nodig was, dan was ze er hoor”, zegt De Wit.

Hoe combineert Schmitz nu als staatssecretaris haar bewogenheid met het 'paarse' regeerakkoord? Al verschillende keren is haar optreden onderwerp van luidruchtige twisten binnen de coalitie geweest. Een 'misser', zo gaf ze zelf later ook toe, maakte Schmitz toen ze het advies van haar ambtenaren negeerde om de regeling voor 'witte illegalen' eerst in de Tweede Kamer te bespreken. Schmitz zag geen kwaad in de regeling; het was immers niet meer dan een 'formalisering van bestaand beleid'. De Kamer dacht er anders over: elk onderwerp binnen het vreemdelingenbeleid is “gevoelig”, liet het parlement weten en Schmitz verweet men naïviteit en onervarenheid.

Toch heeft zij in het eerste half jaar op Justitie veel krediet opgebouwd. Het Tweede-Kamerlid B. Dittrich (D66): “Ze houdt de Kamer een spiegel voor en vraagt nadrukkelijk aandacht voor de situatie van vluchtelingen. Kosto sprak vooral over de vraag hoe je zoveel mogelijk vreemdelingen buiten de deur kon houden.” Juist door haar buitengewone helderheid sluiten mensen die Schmitz kennen een parallel met het lot van de afgetreden staatssecretaris van sociale zaken Elske ter Veld uit. “Ze loopt mentaal wel wat meer in een kogelvrij vest rond dan de zeer emotionele Ter Veld”, zegt Riezenkamp.

Toch zal de worsteling tussen functie en geweten het beleid van Elizabeth Schmitz blijven kleuren. “Jullie mogen me altijd aanspreken op de idealen die ik heb”, beloofde ze haar oud collega's van Pax Christi bij haar afscheid in december. “Zodra ik die niet meer kan verenigen met deze functie van staatssecretaris, stap ik op.”