Hartewens strafrechtsgeleerde in vervulling

ROTTERDAM, 28 JAN. Zesennegentig wetenschappelijke publikaties en boeken vermeldt de computer bij het intikken van de naam van de strafrechtsgeleerde Cyrille Fijnaut (48 jaar). De twee medewerkers van het juridisch instituut van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam constateren het niet zonder trots. “Hij is onze sterprofessor”, zegt bibliothecaresse M. Smoor.

Fijnaut is een wetenschappelijke wervelwind, klinkt het steevast bij een rondgang langs mensen die de aan de universiteit van Leuven en Rotterdam verbonden hoogleraar van nabij kennen. “Het is onbegrijpelijk dat die man het volhoudt”, zegt prof.mr. H. de Doelder, decaan van de juridische faculteit in Rotterdam. “Hij werkt als een gek”. En, H. Jansen, chef van de regionale recherche Rotterdam-Rijnmond, is onder de indruk van de kennis die Fijnaut heeft opgebouwd. “Hij heeft in zijn woning in Tilburg een partij boeken staan waar de bibliotheek van de CRI bij staat te kwijlen.”

Voor met name Fijnaut gaat een hartewens in vervulling nu hij door de Tweede Kamercommissie - die de opsporingsmethodes van de politie onderzoekt - gevraagd is de aard van de zware criminaliteit in Nederland te schetsen. Als geen ander heeft de hoogleraar de afgelopen tien jaar gewezen op de noodzaak een uitputtende studie te maken naar de ernst van de georganiseerde misdaad. Van de voorzitter van de enquêtecommissie, M. van Traa, mag hij niets zeggen over het te verrichten onderzoek maar in talrijke publikaties heeft Fijnaut de afgelopen jaren laten blijken wat hem voor ogen staat.

“Liquidaties in het 'milieu', louche bankzaken, misdadige notarissen, corrupte politiemensen en afpersingen in de horeca (...) allerhande tekenen wijzen erop dat ook in Nederland georganiseerde misdaad een feit is”, schrijft Fijnaut in september 1984 in het blad Delikt en Delinkwent. Hij voegt eraan toe dat er maar zeer beperkte kennis aanwezig is over het onderwerp en dat het hoog tijd wordt dat er “grondig onderzoek” wordt verricht. In het blad Justitiële Verkenningen van het ministerie van justitie (december 1985) waarschuwt hij voor onheil als een dergelijke studie achterwege blijft. “Gebeurt dit niet dan blijft alle plannenmakerij zich in het luchtledige afspelen en neemt de kans op ontsporing van de gespecialiseerde opsporing gestadig toe.”

De verwachting is dat de vier misdaaddeskundigen een degelijk rapport kunnen schrijven over de ernst van de zware criminaliteit. “Fijnaut is een originele wetenschapper en een criminoloog die goed aansluit bij de juridische werkelijkheid. Met zijn drie collega's hebben ze een goede naam en moeten ze een betrouwbaar beeld kunnen schetsen”, zegt De Doelder.

Een voorzichtige kritische noot komt er alleen van de voorzitter van de vereniging van strafrechtadvocaten en hoogleraar strafrecht in Maastricht, Th. de Roos. “Fijnaut is niet omstreden door zijn standpunten maar ik vraag me wel eens af of hij, gelet op zijn enorme produktiviteit, alles wel goed heeft doorgeanalyseerd. Hij schrijft veel maar het is niet altijd duidelijk wat hij wil betogen”, zegt De Roos.

Uit de publikaties van Fijnaut over de georganiseerde misdaad valt op te maken dat hij de bedreigingen van deze vorm van criminaliteit steeds ernstiger is gaan vinden. Halverwege de jaren tachtig geeft hij vooral blijk van wantrouwen als politici om, in zijn ogen, electorale redenen voor een harde aanpak van de zware misdaad pleiten. Maar in 1988 schrijft hij in het Tijdschrift voor Criminologie dat de georganiseerde misdaad die tot voor enkele jaren geleden “tenminste op beleidsniveau niet veel meer was dan een hersenschim” nu door toepassing van analyses “bestuurlijke werkelijkheid is geworden”.

Fijnauts verschuivende inzichten zijn voor een deel te verklaren uit zijn steeds groter wordende betrokkenheid bij de aanpak van de misdaad. De strafrechtsgeleerde, zoon van een brigadier uit Heerlen en zelf in zijn jonge jaren politie-inspecteur in Tilburg, heeft volgens De Doelder “op zijn Hollands gezegd: veel vriendjes bij de politie”.

“Fijnaut weet heel goed wat er op de werkvloer van de politie speelt”, zegt J. Vissers, plaatsvervangend korpschef in Brabant-Noord. “Hij begreep dat de indruk die in Nederland bestond dat het wel meeviel met de georganiseerde misdaad onder andere kwam omdat de politie er weinig naar omkeek.”

Fijnaut waarschuwt er al jaren voor een oorlog te ontketenen tegen de georganiseerde misdaad. Het effect daarvan zal namelijk vooral zijn dat de criminaliteit alleen maar erger, professioneler en dus moeilijker te bestrijden zal zijn.

Voor het onderzoek zal volgens Fijnaut niet kunnen worden volstaan met criminele statistieken, jaarverslagen van de CRI en van het OM omdat die vooral “te impressionistische en casuïstische gegevens” bevatten. Veel interessante informatie is te halen bij de tegenpartij: de georganiseerde misdadigers. “Men zal zich de moeite moeten getroosten om zonder bemoeienis van de politie met de mensen en de organisaties in contact te treden waarom het hier gaat. Hoe moeilijk en tijdrovend dit ook is...”