Een totaal gebrek aan inlevingsvermogen

Milo Anstadt schreef in NRC Handelsblad van 23 januari dat de joodse gemeenschap in Nederland gebrek aan sympathie verwart met antisemitisme.

Om verschillende redenen hebben joden toch een bijzondere positie, betoogt Tamarah Benima.

Drie dagen voordat Milo Anstadt in deze krant (23 januari) zijn bespiegelingen over het antisemitisme en de relatie tussen joden en niet-joden publiceerde, moest ik wachten op het Centraal Station in Amsterdam. Op het moment dat de kelner mijn bestelling bracht, werd ik mij bewust van de achtergrondmuziek: de muziek uit Schindler's List, Steven Spielbergs film over de Grote Moord op de joden. Ik werd terstond onpasselijk, maar nam het de kelner niet kwalijk dat hij zijn bevestigende antwoord op mijn vraag of inderdaad de muziek uit Schindler's List werd gespeeld, vergezeld liet gaan van een brede glimlach. Twee werelden. Ik: jodin, hij: een alleraardigste jongen. Het ligt in de lijn der dingen dat die muziek - als zij goed is - eindigt als 'muzak' in een stationsrestauratie. Mij zult u daar niet over horen. Maar reageren daarop, lichamelijk, emotioneel, doe ik wel, in de beslotenheid van mijn bestaan.

Drie dagen nadat Milo Anstadt zijn artikel publiceerde, haalde ik de Volkskrant uit de brievenbus. Op de dag dat joden in Auschwitz hun eigen herdenking van de bevrijding van het kamp organiseerden, las ik op de voorpagina “Half miljoen gezocht voor 'wij-gevoel' Duitsland en Nederland”. “Het is de bedoeling”, zo werd uitgelegd, “dat na de vijftigste viering van de bevrijding, dit jaar in mei, de betrekkingen tussen Den Haag en Bonn een nieuwe fase in gaan.”

Hoezo, vanaf mei dit jaar? Drie dagen voor de officiële herdenking in Auschwitz, was Helmut Kohl te gast in het Catshuis. Hij kreeg een voorproefje van wat jaarlijks georganiseerd moet gaan worden: een Nederlands-Duitse conferentie om de betrekkingen tussen beide landen te verbeteren. De komst van Kohl nú, het niet uitnodigen van vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap bij het Haagse onderonsje en het bericht dat er sponsors gezocht worden ter financiering van het 'Nederlands-Duitse wij-gevoel' - dat alles maakt me woedend. Maar ik had de grootste moeite een niet-joodse collega uit te leggen waarom ik kwaad ben. Twee werelden. Ik: jodin, hij: een bekwame en aardige collega.

Twee situaties, twee percepties, twee interpretaties. Is er in die situaties sprake van een verstoorde relatie tussen mij, jodin, en zij, niet-joden? Helemaal niet. Maar dat er situaties in Nederland zijn waarin en waarop joden en niet-joden verschillend reageren en waarin er sprake is van een verstoorde relatie, zoveel is zeker.

Evelien Gans schreef een essay Gojse nijd en Joods narcisme waarin zij probeert aan te tonen dát de relatie tussen joden (als groep) en niet-joden (als groep) in Nederland is verstoord. Ze analyseert in dat verband een aantal conflicten waarin de joodse en niet-joodse emoties hoog opliepen. Milo Anstadt gebruikt de verschijning van dit boek en de recensies erover, om zich als antisemitisme-deskundige op te werpen. Hij stelt zich op tussen de partijen, alsof hij geen partij is. Joden drukt hij op het hart zich niet over antisemitisme (dat toch al niet bestaat in Nederland, vindt hij) op te winden. Het is een soort folkloristisch verschijnsel, waarvan enkele aspecten, zoals de hebzucht en de afkeer van vreemdelingen en de onderdrukking van minderheden tot de “menselijke conditie” behoren. Het zal als niet-jood maar over je gezegd worden.

Anstadt gaat niet zo ver dat hij het antisemitisme helemaal uit zijn historische context haalt, maar voorzover het over Nederland gaat, bagatelliseert hij die wel. En hij doet dat met een specifiek doel. Niet alleen joden krijgen de wijze les van Anstadt om niet-joden niet al te serieus te nemen, nee, ook niet-joden mogen van Anstadt de joden met enig schouderophalen tegemoet treden. Joden lijden wel ergens aan, maar niet waaraan zij denken te lijden: hun traumata. Nee, joden lijden aan “gemis aan sympathie van de niet-joodse bevolking”. Een sympathie waarop zij “uit hoofde van hun tragisch lot recht menen te hebben”.

Joden lijden ook onder de “onwil van sommigen het slachtoffer-syndroom en de overgevoeligheid, zoals die door tal van joden naar buiten worden gebracht, te ontzien”. Tja, waarom zouden joden moeten worden ontzien? Als je een kind verliest, mag je daar je hele leven over treuren. Als je partner sterft of wegloopt, mag je daar ook behoorlijk lang last van hebben. Als je je moeder overhoop gestoken aantreft in haar huis, dan mag dat beeld in je geheugen gegrift blijven. Maar wie broers, zusters, ouders, grootouders, kinderen, neefjes, nichtjes, vriendinnetjes, leraren, secretaressen, buurvrouwen, groentemannen, loodgieters, minnaars, bazen, tantes, kindermeisjes, tuinmannen als vermoorden te betreuren heeft, die heeft een “slachtoffersyndroom”, die moet niet zeuren, die moet niet naar buiten treden met zijn “overgevoeligheid”, die moet niet klagen. Wat denkt hij wel? Recht op sympathie? Wees blij, we leven in een land dat “met betrekking tot tolerantie redelijk hoog scoort”. Ja, klopt. Maar het is evenzeer waar, dat vóórdat de neefjes en nichtjes, de minnaars en jeugdvriendinnetjes werden gedeporteerd en de totale sociale leefwereld van de joden in Nederland werd vernietigd, ons land ook heel tolerant was.

Joden, zo legt Anstadt uit, hebben er last van niet meer met fluwelen handschoenen te worden aangepakt. Ook daar valt veel tegenin te brengen. Ten eerste werden ze na de oorlog helemaal niet met fluwelen handschoenen aangepakt. Integendeel, het antisemitisme was toegenomen en ze kregen geen hulp van overheidswege omdat de overheid meende geen onderscheid tussen joden en niet-joden te moeten maken. Joden kregen een gelijke behandeling, terwijl hun 'zorgbehoefte' een totaal andere was dan die van de niet-joden.

En wat de 'fluwelen handschoenen' ten aanzien van Israel betreft: vóór 1967 bevond Israel zich in een hachelijke veiligheidssituatie. En dat Israel nadat het tot bezetter was geworden vaak unfaire kritiek over zich heen kreeg en dat joden wereldwijd met Israels 'slechte gedrag' om de oren werden geslagen - hoe vaak werd Israel en joden niet verweten dat de voormalige slachtoffers zich nu als nazi's gedroegen - kan toch moeilijk worden ontkend.

Bovendien, stel dat de voormalige slachtoffers zich in Israel daadwerkelijk 'als nazi's' hebben gedragen, stel dat deze perfide vergelijking een kern van waarheid zou hebben, dan is de repliek van de Duitse schrijver Henryk Broder nog steeds onovertroffen. Wie meent dat joden zich beter moeten gedragen omdat zij in Auschwitz hebben gezeten, zei hij, maakt de misvatting dat Auschwitz een heropvoedingskamp was. Kritiek op Israel? Geen probleem. Maar de slachtoffers van 'Auschwitz' met hun eigen ervaringen moreel de les lezen? Dat kan echt niet.

Anstadt probeert ons ervan te overtuigen dat er alleen van een verstoorde relatie tussen joden en niet-joden gesproken kan worden als er virulent antisemitisme is. En dat is in Nederland niet het geval. Ik zal dat laatste niet ontkennen. Nederland blijft wat antisemitisme betreft een hoop bespaard. Waarom dan toch de angst die bij veel joden leeft, en die door Anstadt wordt afgedaan als “slachtoffer-syndroom” en “overgevoeligheid”? Omdat de afwezigheid van virulent antisemitisme en eeuwen godsdienstvrijheid en tolerantie uiteindelijk niets uitmaakte: de Nederlandse joden werden net zo zeer vermoord als joden uit andere landen.

Voor een uit Polen gevluchte jood als Anstadt kan de lage graad van antisemitisme betekenen dat joden niet in gevaar verkeren, en objectief heeft hij daarmee gelijk. Voor Nederlandse joden betekent de lage graad van antisemitisme dat zij, subjectief, in dezelfde verradelijk gebleken situatie lijken zitten als toen de nazi's hen overvielen en naar het leven stonden. Het klinkt absurd maar is wel waar: in het antisemitische Polen wist je, en weet je, tenminste waar je als jood aan toe bent; in het niet-antisemitische Nederland wist je dat niet. En de conclusie die veel joden trekken, is dat je ook nu niet weet waar je in ons land aan toe bent. Men kan nog zo hard roepen dat er niets aan de hand is, maar dat werd toen ook gezegd. En toen bleek dat de dood. Dàt is de reden dat een flink aantal joden in Nederland sterk reageren op situaties die een buitenstaander als objectief ongevaarlijk inschat.

Maar geldt de angst, de gespitstheid op gevaar, niet alleen voor de zogeheten eerste generatie, de joden die de vervolging aan den lijve hebben ondervonden? Nee. Het geldt ook voor de tweede - en wellicht derde - generatie: de kinderen van de overlevenden. Natuurlijk zullen er nakomelingen zijn die geen andere invulling van hun jood-zijn weten te bedenken dan als heethoofd te reageren op antisemitische incidenten. Maar het is ontoelaatbaar om “velen” te verwijten “enorm lange tenen (te hebben) ontwikkeld, die zij soms provocerend naar voren steken”.

Waar heeft Anstadt het over? Ik vrees dat hij volstrekt verkeerde ideeën heeft over de problematiek van de naoorlogse generaties. We zouden voortdurend met de holocaust bezig zijn, in een soort van nostalgisch rouwproces vast zitten om doden die we nooit gekend hebben. We zouden afgunstig zijn op onze ouders die zulke spannende dingen hebben meegemaakt en aanwier heldendaden wij vrezen nooit te kunnen tippen. We zouden koketteren met het leed van anderen, onze ouders, onze grootouders, onze vermoorde familieleden.

Niets is minder waar. De naoorlogse generatie heeft heel andere problemen, twee complexen van problemen die specifiek voor haar zijn (opgevoed zijn door getraumatiseerde ouders, en een opvoeding die mede voorbereidt op de volgende oorlog/vervolging) en één complex van problemen dat zij deelt met de eerste generatie (hoe te leven na de vernietiging van de Europees-joodse cultuur en samenleving). Op alledrie wil ik hier ingaan.

Opgroeien met getraumatiseerde ouders is niet het probleem van alle joodse kinderen, maar wel - durf ik te zeggen - van de meesten. Het is geen specifiek joods probleem. Kinderen van mishandelde ouders, foute ouders, verslaafde ouders en van ouders die in het verzet zaten zullen dezelfde problemen hebben. Maar het feit dat joodse 'kinderen' de problematiek delen met niet-joodse 'kinderen', neemt de problematiek van de joodse 'kinderen' niet weg.

Opgevoed worden voor de volgende oorlog of vervolging is, volgens mij, wel een specifiek joods probleem. Om duidelijk te maken wat ik bedoel, wil een enkel voorbeeld geven uit mijn eigen leven. Toen de Cuba-crisis uitbrak in 1961 en er angst heerste voor een nucleaire oorlog, werd er bij ons thuis gediscussieerd over de beste strategie als er oorlog zou komen. Het was een - ogenschijnlijk - uiterst rationele discussie, maar drie van de deelnemers waren erg jong. Ik was tien, mijn zusjes acht en zes jaar oud. Mijn vader kondigde aan dat hij zelfmoord zou plegen, want hij had al een oorlog meegemaakt en voor hem gold: “nooit meer”. Over de vraag, onze vraag, of wij ook zelfmoord zouden moeten plegen, liet hij zich niet uit, maar hij gaf ons in ieder geval het advies niet bij elkaar te blijven. Als gezin zouden we het niet redden, ieder voor zich had misschien een kans om te overleven. Mijn moeder en zusjes waren het er absoluut niet mee eens. Zij waren ervan overtuigd dat slechts bij elkaar blijven overleven mogelijk maakte. Ieder voor zich zouden we het helemaal niet redden. In niet-joodse gezinnen zou een dergelijke discussie absurd en wreed zijn, voor mijn ouders, die net als alle andere goede ouders hun kinderen wilden voorbereiden op het leven, was die discussie helemaal niet absurd of wreed. Ieder kind moet leren leven, ieder joods kind moet ook leren overleven. En in Nederland betekent dat, gespitst zijn op gevaar in situaties die ongevaarlijk lijken, maar dat misschien niet zijn. Dat is iets totaal anders dan de “enorm lange tenen” die wij “provocerend naar voren steken”.

Het derde complex van problemen is: hoe te leven na de vernietiging van de Europees-joodse cultuur en samenleving. Wat dit betekent gaat de verbeeldingskracht van bijna iedereen te boven. Zes miljoen uitgeroeide joden. Zij hebben daardoor niet mee hebben kunnen helpen met het verder ontwikkelen van de joodse cultuur en samenleving. Wat bedoel ik? Stel dat tachtig procent van de Nederlandse bevolking vermoord zou worden. Twaalf miljoen mensen zouden van de aardbodem verdwijnen. Er zou van de Nederlandse samenleving niets meer over zijn.

Iets dergelijks is gebeurd met de Nederlandse joden. De moord op de Nederlandse joden betekent niet alleen dat die mensen er niet meer zijn, het betekent ook dat hun hele sociale, culturele, historische, economische weefsel vernietigd is. En, dat dat zich niet op natuurlijke wijze verder heeft kunnen ontwikkelen. Als een Nederlander wordt vermoord, sterft het Nederlands niet. Als bijna alle Nederlands-sprekenden worden vermoord, sterft ook het Nederlands. Als een enkeling wordt vermoord, gaat de gemeenschap verder. Wat doet de enkeling, als de gemeenschap wordt vermoord?

De joden in Nederland, naar schatting dertigduizend, hebben met ongelooflijk veel energie en toewijding weer een gemeenschap opgebouwd. Een gemeenschap die op het ogenblik een bloei vertoont. Maar het is, afgezet tegen de natuurlijk ontwikkeling die de gemeenschap had moeten hebben, ook zo, dat het een zeer gefragmenteerde groep is, waarin velen met moeite gelijkgestemden vinden met wie zij iets kunnen opbouwen. Maar dat is iets anders dan het beeld dat Anstadt schetst. “De joden zijn zo verdeeld, ze hebben nog nauwelijks iets van een gemeenschappelijke grondslag”, schrijft hij. “Of het zou weer de holocaust moeten zijn”, voegt hij daar met onverdraaglijk dédain aan toe. In een klap wordt joden hun drieduizend jaar oude beschaving ontzegd. Drieduizend jaar literatuur, filosofie, recht, geschiedenis, muziek, drieduizend jaar ontwikkeling van sociale instellingen, van onderwijs, en wat al niet, worden buiten beschouwing gelaten. Teneinde joden te reduceren tot slachtoffers van de shoah, om hen vervolgens te verwijten dat ze in de shoah hun identiteit zoeken. Ik wil niet ontkennen dat er joden zijn voor wie de shoah de constituerende factor is in hun identiteit, maar dat zijn dan toch juist diegenen die van hun eigen beschaving niets of nauwelijks iets weten.

De vernietiging van die beschaving door de nazi's is daar een zeer belangrijke factor in. Naar die verbrande en verdampte cultuur zijn de kinderen van overlevenden vaak onbeholpen op zoek. Naar dat vernietigde sociale weefsel verlangt de eerste generatie. Aan de opbouw van een bloeiende joodse cultuur en samenleving proberen beide, eerste en tweede generatie te werken, al is het maar omdat het van wel heel weinig ruggegraat zou getuigen als ze die cultuur nog verder om zeep zouden helpen omdat de nazi's het joodse volk en hun cultuur haatten en omdat de joden die wilden assimileren niets meer met hun mede-joden en mede-lotgenoten te maken wilden hebben. Voor de gevoelens die de totale problematiek oproepen, kan wel degelijk sympathie worden gevraagd.

Maar er is nog een laatste vraag die gesteld kan worden. De Europese joden werden vermoord, de Europees-joodse cultuur met de grond gelijk gemaakt. Is dat alleen het probleem van mij, jodin, of van ons, joden? Wat betekent het voor Nederland, voor Europa dat Walter Benjamin tien, twintig, dertig, veertig jaar te vroeg aan zijn einde kwam. En Charlotte Salomons. En Bruno Schultz en al die anderen die aan Europa hun krachten zouden hebben gegeven? Daarover zou ik in dit tolerante land Theo van Gogh en de columnisten in zijn kielzog nu wel eens willen horen.