'Vreemde godsdiensten ruimer tolereren'

De Leidse jurist Labuschagne bepleit een ruimere tolerantie voor het belijden van niet-christelijke godsdiensten in Nederland. Gisteren promoveerde hij in Groningen.

LEIDEN, 27 JAN. Mag een Hindoestaan een wateroffer brengen of is dat verontreiniging van het oppervlaktewater? Mogen moskeeën dagelijks gelovigen vanaf de minaret oproepen tot gebed of is dat strijdig met de Hinderwet? Mag een oud-Hollands hotel een chasseur ontslaan omdat hij Sikh is geworden, zijn haren niet meer knipt en een tulband draagt?

Deze en andere vragen komen aan de orde in het proefschrift 'Godsdienstvrijheid en niet-gevestigde religies' van de rechtsfilosoof B.C. Labuschagne, waarop hij gisteren promoveerde aan de Groningse Universiteit. Sinds kort werkt hij aan de Leidse Universiteit. Labuschagne is voorstander van een ruimere tolerantie jegens 'vreemde' godsdiensten. Met zichtbaar plezier vertelt hij dat het college van B en W in Heerenveen onlangs een vergunning heeft gegeven aan moslims om dagelijks gedurende vijf minuten op te roepen tot gebed, en op vrijdag twee keer. Het is bij zijn weten voor het eerst in Nederland dat moslims op deze wijze hun godsdienst kunnen belijden.

Er zitten veel voordelen aan meer tolerantie, stelt Labuschagne. In de eerste plaats kan de integratie van allochtonen worden bevorderd. “Als mensen gefrustreerd worden in hun uitingsmogelijkheden, worden ze fanatiek. Onlangs kregen Hindoestanen in Den Haag geen toestemming om een Lichtfeest op het Binnenhof te vieren. Dat zou toch prachtig zijn geweest? Als je het toestaat, geef je de mensen het gevoel er bij te horen.” Verder komt meer tolerantie de kwaliteit van de westerse samenleving ten goede, aldus Labuschagne. “Onze blik wordt ruimer, onze keuzen worden vergroot. De Nederlandse keuken is door de komst van buitenlanders uitgebreid. Zo zou ook het geestelijke leven kunnen worden verruimd.”

De 32-jarige Labuschagne, geboren in Zuid-Afrika en zoon van de anti-apartheidstheoloog prof.dr. C.J. Labuschagne, schreef zijn boek uit bezorgdheid dat niet-westerse godsdiensten bij de juridische beoordeling buiten de boot vallen. In zijn proefschrift ontwikkelt hij een vrijheidsbegrip waarbij respect voor de ander vooropstaat, op basis van de ideeën van de Litouws-Franse filosoof Emmanuel Levinas, in het bijzonder diens 'ethiek van het menselijk gelaat'.

Labuschagne schrijft: “De ontmoeting met de ander, die mij zijn gelaat toont, is de eerste ervaring die mijn bewustzijn doet ontwaken en mij oog doet krijgen voor de ander. Nog voordat de ander zijn recht komt opeisen vrij gelaten te worden, heeft zijn gelaat mij al overtuigd van mijn plicht hem daarin te respecteren. Hierop zou zich een tolerantiefilosofie kunnen baseren.”

De Leidse jurist heeft zijn proefschrift bedoeld als een “constructieve herinterpretatie” van de vrijheid van godsdienst. Hij zou willen dat de criteria aan de hand waarvan zogeheten niet-gevestigde godsdiensten worden beoordeeld, aangescherpt worden. Tot op heden hebben Nederlandse rechters de aanspraken van 'vreemde' godsdiensten afdoende beschermd. “Er is een ondergrens waar nauwelijks onder gekomen wordt”, aldus Labuschagne. Maar volgens hem kan het toch beter.

Zo werd een Hindoestaan uit Etten-Leur in 1982 door de kantonrechter in het ongelijk gesteld bij het deponeren van rituele offerresten in het water. De rechter gaf als overweging dat het hindoeïsme geen strenge cultusbeleving voorschrijft en dat het 'wateroffer' dan ook niet nodig zou zijn voor de godsdienstbeleving. Dit, zo vindt Labuschagne, is in strijd met de 'interpretatieve terughoudendheid' die het recht zou moeten betrachten. Labuschagne: “De rechter is in dit geval niet terughoudend genoeg geweest. Bij het beoordelen of iets wel of niet tot godsdienst behoort, moet het recht niet op de stoel van de gelovige gaan zitten.”

Anderzijds, erkent hij, moet de rechter wel beoordelen of een handeling serieus voortvloeit uit een godsdienstige “totaalconceptie” dan wel uit een “deelovertuiging”. Niet problematisch zijn blijkens de jurisprudentie humanisme, atheïsme, vrijmetselarij en Rozenkruizers. Ook de antroposofie en het principieel pacifisme kunnen met succes een beroep op de godsdienstvrijheid doen. Wel problematisch zijn volgens Labuschagne het historische materialisme in relatie met de politieke overtuiging van het communisme, en mens- en maatschappijopvattingen die ten grondslag liggen aan het nationaal-socialisme en fascisme.

Labuschagne verwacht dat rechters het de komende jaren drukker zullen krijgen met de beoordeling van twijfelgevallen. “Ik denk dat met de toename van het aantal religieuze stromingen en sekten in Nederland het aantal grensgevallen zal toenemen. Ik noem als voorbeeld het heksengeloof: moet iemand een vrije dag krijgen omdat die een heksensabbat wil bijwonen?”