Een put als toevluchtsoord; De groteske visioenen van schilder Wainer Vaccari

Elk schilderij van de Italiaan Wainer Vaccari, aan wie de Kunsthal in Rotterdam nu een tentoonstelling wijdt, is een scène uit een grotesk script waarvan ons de inhoud wordt onthouden. Maar hoe vreemd Vaccari's onderwerpskeuze ook is, zijn stijl is klassiek. “Ik ben een handwerksman, een autodidact die hecht aan schilderregels en esthetiek. Grote kunst is altijd aan regels gebonden geweest.”

Wainer Vaccari, schilderijen 1982-1994. T/m 12 maart in de Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Di. t/m za. 10-17u., zo. 11-17u. Cat. ƒ 29,50.

De schilderkunst als een wereldvreemd schouwtoneel. De decors zijn leeg of arcadisch, de belichting gifgroen, gelig of waterig wit. Uit de coulissen zijn mime-spelers te voorschijn gekomen, die net als in het Japanse theater veel op elkaar lijken en geoefend zijn in het trekken van gekke bekken.

Diezelfde spelers geven geen staaltje kabuki-theater weg, nee, ze graven zich suf in de zanderige grond, ze trekken uitzinnig aan touwen om vergeefs iets uit de aarde te halen, ze converseren met een kat, een vis of een pafferig gedrocht, ze kruipen als schuchtere beesten in halve cirkels achter elkaar aan. En na zo'n rondedansje verdwijnen ze stuk voor stuk weer terug in de aarde. Ze duiken onder in hun eigen, duistere put, van waaruit ze tijdens een dromerig bestaan elkaar onverschillig of stomverbaasd hebben gadegeslagen.

Elk schilderij van de Italiaanse schilder Wainer Vaccari (45), aan wie de Kunsthal in Rotterdam nu een tentoonstelling wijdt, is een scène uit een grotesk script waarvan ons de inhoud wordt onthouden. Een corpulent naakt, de benen wijd, plast een landerig beekje het landschap in, terwijl een geniepig type haar vanachter de struiken zit te beloeren. Een man poedelt in een piepklein vijvertje, alweer een soort put, en kijkt naar de spiegel op de oever om daarin zichzelf de trouwring te tonen die hij vandaag zijn vrouw om de vinger zal doen, want de titel luidt Vandaag trouw ik.

Steeds mag de toeschouwer van Vaccari maar een flard waarnemen om daarna zelf een verhaal te componeren. Misschien draaien deze verhalen om het zinloze en korstondige bezoek dat we aan de aarde brengen, om de fundamentele eenzaamheid, om het egoïsme en narcisme, om de angst om af te wijken van wat gangbaar is. Of is die steeds terugkerende, kalende man de schilder zelf, die fabels illustreert? Baggert hij met man en macht, net als Teun Hocks, soms naar zijn eigen, strikt persoonlijke gedragingen en gebreken? En wat wordt hem daarbij door al die zwevende dwergen in de oren gefluisterd?

Vaccari voert zijn figuranten vaak op groot formaat ten tonele in een 'Toscaans' palet van diep rood, zonnig oker en aards bruin. De mannen zijn uitgesproken onaantrekkelijk, de vrouwen vaak sterk en sensueel. In 1991 kocht het Stedelijk Museum in Amsterdam een doek van hem met daarop zo'n groep kruipende lieden die uit de grond oprijst. Schilderen is voor Vaccari nog een waarachtige techniek. Hij weet goed raad met anatomische verkortingen, zoals de grote Italiaanse meesters hun putti in alle standen konden laten dartelen. Hij draait zijn hand niet om voor gespierde vleespartijen, misvormende waterspiegels of voor de effecten van de avondschemering - als het daglicht zich terugtrekt en dat wat nabij is zich nog even, in een laatste oprisping, van zijn fluwelige kant laat zien.

Moedige mensen

Even deed deze eigenaardige schilder vorige week Rotterdam aan. Als hij praat, spreken zijn ogen en handen een levendig woordje mee. Dat maakt een gesprek opwindender. Het gaat hem nu, na dertig jaar schilderen, voor de wind, vertelt hij, maar het blijven moedige mensen die zijn werk exposeren, want de figuratie is taboe. We zitten in hotel New York in de stedebouwkundige wildernis van een haven in afbraak, en een stad in opbouw. Nee, de kilte van dit stadsdeel deert hem niet, hij voelt zich een beetje noordelijk, Middeneuropees vooral, want hij groeide op in een calvinistisch Zwitsers kanton als zoon van een katholieke, communistische fabrieksarbeider die daar werkend te gast was.

Nu woont Vaccari weer waar hij is geboren, in het Noorditaliaanse Modena, in de Po-vlakte. Weet de verslaggever wel hoeveel belangrijke Italiaanse kunstenaars en schrijvers in deze streek geworteld zijn - de cineast Bertolucci bijvoorbeeld? “Dat komt door de ruimte, de grote luchten, de mist en tegelijkertijd het isolement. Er leven veel gekken en die maken daar zo hun eigen visioenen,” glimlacht hij mild, alsof niets het verlangen naar de Po overstijgt.

Waarom schildert Vaccari zijn visioenen zo klassiek? Landgenoten als Cucchi, Clemente en Paladino maakten zich met succes een minder gladde, en net zo esthetische stijl eigen? “Ja, ik houd van hun werk, maar toch beheersen ze de techniek niet goed. Ik ben een handwerksman, een autodidact die hecht aan klassieke schilderregels en esthetiek. Grote kunst is altijd aan regels gebonden geweest. Ik zou bijvoorbeeld nooit vrouwen ter afwisseling van al die mannen zo onbeschaamd op mijn schilderijen durven laten rondkruipen. Zoiets doe je niet!”

Even komt het perverse fotowerk van Erwin Olaf ter sprake, dat hij hier toevallig heeft gezien. “Onbegrijpelijk dat zoveel mensen er in dit land mee weglopen! Taboe-doorbrekend of niet, het blijven toch keiharde beelden, zonder tederheid of esthetiek. Vind u ze niet decadent? In de Duitse schilderkunst, in de doeken Baselitz en Lüpertz, herken ik diezelfde hardheid. Bij mediterrane kunstenaars kom je die atmosfeer niet tegen, en in Italië al helemaal niet, want daarvoor is de invloed van de barok te groot geweest. Het is die tegenstelling tussen hard en zacht, soberheid en barok, tussen het calvinistische noorden en het katholieke zuiden die ik door mijn Italiaans-Zwitserse jeugd goed heb leren kennen en ook heb geïntegreerd.”

Veel heeft Vaccari opgestoken van Nederlandse magisch-realisten als Dick Ket en Pyke Koch en van een Zwitserse symbolist als Arnold Böcklin, “die de psycho-analyse heeft verbeeld voordat de theorieën er waren.” Andere symbolisten als Odilon Redon en Puvis de Chavannes acht hij van groter belang dan de impressionisten. “Hun werk is problematischer, want ze gingen de diepte in.” De schilder buldert van het lachen als ik hem vraag of hij zelf in psycho-analyse is geweest. “Nee, misschien is mijn schilderwerk mijn psycho-analyse”, zegt hij. “Denk nu niet dat ik kan verklaren wat ik allemaal schilder, want ik begrijp soms ook niet wat ik maak. Veel blijft onoplosbaar, net als in het dagelijks leven, en dat is maar goed ook. Anders zouden we snel verveeld raken.”

Vak apart

Als Vaccari werkt - acht uur per dag en in hoge snelheid - komen er geen voorbereidende schetsen aan te pas. Een tekeningetje, neergekrabbeld tijdens een telefoongesprek, verhuist direct in grote lijnen en in verf naar het linnen. Hijzelf staat vaak model, maar dat wil niet zeggen dat elke scène autobiografisch is; en wat er zoal in zijn catalogi staat geschreven moeten we trouwens niet al te serieus nemen, vertelt hij. Schrijven is net als schilderen een vak apart, dat de autonomie van het kunstwerk nimmer kan aantasten.

“Met mijn werk bestrijd ik de pessimist die in mij huist. Ik houd van schijn, van absurdistisch theater, van Samuel Beckett, maar ook van Brueghel. Het leven is een spel, waar veel of helemaal niet om te lachen valt. Gek genoeg komen die uitersten ook bij mijn critici voor. De ene lacht zich een ongeluk, de ander treurt om mijn doeken. Laten we mijn werk maar zien als een komische cocktail, op basis van vijf, zes ideeën, waar ik, zoals de meeste kunstenaars, rondtrekkende bewegingen omheen maak. Alleen Picasso had meer basis-ideeën, misschien tien in totaal.”

Verder wil Vaccari zijn 'toneel' inhoudelijk niet toelichten. Vaak doet hij achteraf pas ontdekkingen. Hij herkent de vier elementen in zijn werk, water vooral, als oorsprong van alle leven, als een metafoor voor de onderwereld. De put symboliseert niet een persoonlijke gevangenis waar elk mens door aanleg, ervaringen en omstandigheden in vertoeft, maar fungeert als toevluchtsoord voor zijn 'kolonisten', de bewoners van zijn eigen, parallelle schilderwereld. “Ik laat ze vanuit die putten hun terrein veroveren. Het is nog niet tot een strijd gekomen. Maar wie weet wat er nog gaat gebeuren!”

Als illustratie bij dit stuk geeft hij de voorkeur aan een kruipende man in zijn lege kamer, op de nek gezeten door een akelig heertje met een hondesnuit die hem hardhandig bij de haren grijpt. “Zien is belangrijk. Die man op dit doek kan niet zien wat er achter hem of boven hem gebeurt. Dat is bedreigend en, inderdaad, het getuigt mijnerzijds van weinig vertrouwen. Of de dood op zijn nek zit? O, daar heb ik niet over nagedacht, want die komt op een dag toch wel langs!”