Nieuwe encyclopedie over 'nuttige' Indische planten maakt kennis toegankelijk

WAGENINGEN, 26 JAN. Karel Heyne had nauwelijks scholing genoten toen hij als jonge twintiger rond de eeuwwisseling als handelsemployé bij de 'Koninklijke Paketvaart Maatschappij' naar Java vertrok. In 1906 werd de Amsterdammer aangesteld als directeur van het Museum voor Economische Plantkunde in Bogor en daar begon hij aan aan het handboek 'De nuttige planten van Nederlandsch Indië' dat zijn levenswerk zou worden. Heyne's boek is nog steeds van grote betekenis voor de land-, tuin- en bosbouw in Indonesië, maar het is deels achterhaald en bovendien gesteld in ouderwets Nederlands, dat door steeds minder mensen gesproken en gelezen wordt. Er zijn planten verdwenen, nieuwe geïntroduceerd en andere van meer of minder belang geworden. Heyne's standaardwerk uit de jaren tien en twintig wordt nu uitgebreid en geactualiseerd.

Dat project, genaamd Prosea (Plant Resources of South-East Asia), dat deels wordt uitgevoerd bij de Landbouwuniversiteit van Wageningen, is ambitieus: voor de eeuwwisseling moet het nieuwe handboek, dat twintig delen zal tellen, zijn voltooid. De 'nieuwe Heyne' wordt van groot belang geacht voor de agrarische sector in Zuid-Oost Azië.

Zuidoost-Azië telt ruim 7000 planten en bomen, die van nut zijn voor de mens omdat zij dienen als voedsel, brandstof, medicijn, bouwstof, vezel, kleurstof, specerij of siergewas. Over die bomen en planten bestaat zeer veel kennis en literatuur. De studies naar botanische eigenschappen, ecologie, teelt, bosbouwkundig management, oogst, bewaring van produkten, verwerking, chemische, fysische en farmaceutische karakteristieken en economische betekenis begonnen een eeuw geleden en zijn vooral de laatste decennia geïntensiveerd. “Maar er is een belangrijk probleem”, zegt tropisch plantenteler dr. J.S. Siemonsma, hoofd van de publikatie-afdeling van Prosea in Wageningen. “Dit kennisreservoir is vrijwel ontoegankelijk voor degenen die er het meest op zijn aangewezen. De bestaande kennis is volledig gefragmenteerd in ontelbare boeken, tijdschriften, rapporten en verslagen van symposia en dat alles verspreid over een groot aantal landen of zelfs werelddelen.”

Al in de jaren zeventig liet de Indonesische regering weten groot belang te hechten aan het toegankelijk maken van al die wetenschappelijke gegevens, zodat onderzoekers, voorlichters, producenten en handelaars daar hun voordeel mee konden doen. In Indonesië waren en zijn die sectoren nog altijd aangewezen op 'Heyne', aan wie tot op heden in vrijwel elke publikatie wordt gerefereerd. In de regio moet Maleisië het op die manier stellen met het handboek van Burkill (1935) en de Filippijnen met een vergelijkbaar handboek van Brown, waarvan de eerste editie in 1922 verscheen.

De Nederlandse regering wilde in de jaren zeventig niet meewerken aan vernieuwing van deze standaardwerken. In 1983 echter werd Wageningen door het ministerie van Landbouw en visserij benaderd. Het College van Bestuur van de universiteit reageerde positief en sinds dat jaar ontwikkelden de contacten zich vlot. De financiering van het project bleek moeilijk. Na voltooiing van een haalbaarheidsstudie in 1986 volgde uiteindelijk financiële steun van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking. Inmiddels kent Prosea verscheidene geldschieters, al blijft er voortdurend spanning over de vraag of daarin genoeg continuïteit blijft om het project helemaal te kunnen voltooien. In de jaren tachtig werd besloten niet enkel Indonesië in het project te betrekken, maar ook Maleisië, de Filippijnen, Papua Nieuw-Guinea, Brunei en Singapore. Randgebieden van deze regio, zoals Thailand, Birma, Laos, Cambodja en Vietnam kunnen van Prosea profiteren voorzover het gaat om planten die ook in deze landen voorkomen.

Van de eerste subsidies werden in de regio 'netwerken' opgezet. In Bogor werd een hoofdkantoor gevestigd, waar de medewerkers zich structureel met het project bezig houden. Daarnaast zijn er zes landenkantoren, waar twee tot drie mensen zitten die voortdurend bezig zijn literatuur te verzamelen, en daarnaast aan onderwijs, onderzoek en voorlichting doen. “Wat daar dus gebeurt is het systematisch inventariseren van kennis en gegevens, die door veldwerk zij vergaard. De resultaten van die inventarisaties worden door speciaal daarvoor aangezochte auteurs samengevat, geëvalueerd en uiteindelijk gepubliceerd in delen van de - Engelstalige - encyclopedie. Het komt dus uit in boekvorm, maar minstens zo belangrijk is de gecomputeriseerde databank, die veel gemakkelijker permanent kan worden bijgewerkt. De encyclopedie komt dan ook op CD-rom”, aldus dr. ir. E. Westphal (tropische plantenteelt), de eerste projectleider van Prosea en nu nog steeds adviseur.

De regio waarop Prosea zich richt, omvat bijna vijf miljoen vierkante kilometer, waar ruim 400 miljoen mensen wonen. De helft van dat oppervlak bestaat uit bos, terwijl ongeveer dertien procent bestaat uit gecultiveerd gebied. De helft van de beroepsbevolking in deze landen is werkzaam in landbouw en visserij. Het nut van een geactualiseerd handboek voor land-, tuin- en bosbouw is dus evident.

Het project moet ook leiden tot een verstandiger gebruik van grond en flora en een alternatief bieden voor bestaande exploitaties, zoals de houtkap in het tropisch regenwoud. Met die kap wordt het hele ecosysteem vernietigd, terwijl het verzamelen van 'boomprodukten' economisch even interessant kan zijn en op termijn zelfs interessanter. Het gaat dan om 'bijprodukten' van bomen, zoals harsen, medicinale produkten, gommen, kleur- en looistoffen, wassen en latex. Het belangrijkst is echter dat bij die exploitatie van het bos ecosystemen intact worden gelaten.

De encyclopedie moet ook kennis gaan bundelen over varianten van cultuurplanten, die zouden kunnen worden ingekruist zodat gewassen ziekte-resistent worden en met minder beschermingsmiddelen kan worden volstaan. Nieuwe inzichten kunnen ook het gebruik van kunstmest doen verminderen en resulteren in de kweek van nieuwe cultuurgewassen, wat belangrijk is voor duurzaam gebruik van landbouwgrond.

De encyclopedie behandelt per plant de algemene informatie, zoals de wetenschappelijke naam, synoniemen, lokale namen, de oorsprong en de geografische verspreiding, het gebruik, de produktie en de internationale handel. Daarnaast worden onder andere de kenmerken vermeld, groei en ontwikkeling, klimatologische factoren, vermeerderingsmogelijkheden, teelt, onderhoud, ziekten, plagen, oogst, opbrengst, behandeling na de oogst, verwerking en economische vooruitzichten.

Een aantal delen van de encyclopedie is al gereed. Het eerste behandelt peulvruchten, het tweede vruchten en noten, het derde looi- en kleurstoffen, het vierde voedergewassen voor vee. Het zal geen verbazing wekken dat hout in drie delen lijvige delen wordt behandeld. In volgende banden worden rotans en bamboes beschreven, en daarna volgt nog een aantal delen, onder andere over groenten. Naar verwachting zal het twintigste en laatste deel in het jaar 2000 worden gepubliceerd.

“Je ziet nu al wat het belang van de encyclopedie is”, zegt Siemonsma, “zodra er een zo'n blauw deel uit is, wordt er in Indonesië meteen een plaatselijke vertaling in een goedkopere uitgave van gemaakt. De belangstelling is gigantisch.”

Naast dat grote belang voor de agrarische sector in Zuid-Oost Azië is de encyclopedie ook een eerbetoon aan Karel Heyne. De auteur van 'De nuttige planten van Nederlandsch Indië' overleed in 1947 in Bennekom, vlak bij Wageningen. Hij bewoonde daar een ruime villa en had er twee kassen, waarin hij Indonesische planten teelde met dezelfde toewijding waarmee hij zijn handboek had geschreven: elke nacht strond hij om vier uur op om de kachels in de kassen van kolen te voorzien.

    • Bram Pols