EEN DOSIS DARTELHEID

Het is een onopgeloste vraag hoe dartele lammetjes ooit in duffe schapen veranderen. Soms is het al na één voorjaar definitief voorbij met het onbekommerde huppelen, en staan de voormalige lammeren net als alle schapen glazig starend in de wei, alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Mutatis mutandis zien we iets vergelijkbaars bij de menselijke soort. Op een of andere manier, ergens tussen hun twintigste en dertigste levensjaar, verliezen jonge mensen ongemerkt veel van hun onaangepastheid en hun creativiteit.

Natuurlijk zijn er altijd onderzoekers en kunstenaars geweest die tot op hoge leeftijd actief bleven en soms pas hun beste werk op middelbare leeftijd of zelfs daarna maakten. Maar de uitzonderlijke prestaties van enkelingen verhullen niet dat de trend in de omgekeerde richting wijst. In een mensenleven slaan vroeger of later, en meestal vroeger, zelfgenoegzaamheid en gezapigheid meedogenloos toe. Misschien moeten we de vraag dan ook omdraaien: niet het verlies aan wat ik bij gebrek aan een beter woord maar intellectuele 'dartelheid' zal noemen, maar het bestaan ervan is opvallend. Als ik kijk naar de studenten, promovendi en jonge tijdelijke onderzoekers in mijn omgeving, dan is een aantal factoren verantwoordelijk die eigenschap. Ten eerste een scherpe neus voor beunhazerij en pretenties. Zij voelen meestal feilloos aan wie ondanks zijn fraaie woorden niets te vertellen heeft. Zij prikken door opgeblazen gewichtigheid heen als door de spreekwoordelijke Haagse bluf. Zij zijn meesters in het ontmaskeren van de, in Nederland vaak grotendeels verborgen, hiërarchische verhoudingen. Machtsposities zeggen hun weinig, omdat zij nog nauwelijks met macht in aanraking gekomen zijn. Dit ogenschijnlijke gebrek aan respect gaat vaak gepaard aan een zekere onverschilligheid voor wat anderen van hen vinden. Geen zelfgenoegzaamheid - die komt pas later - maar een exclusieve gevoeligheid voor hen wiens oordeel zij werkelijk op prijs stellen. Tegelijkertijd zijn jongeren natuurlijk slim genoeg om te beseffen dat hun eigen positie marginaal is. Dat leidt soms tot nietsontziend cynisme. 'Het stelt allemaal weinig voor' is een gevleugelde uitdrukking die je op vele wetenschappelijke bijeenkomsten uit de mond van de jongere garde kunt horen. Niettemin is het juist die marginaliteit die hen vrij maakt. Jonge onderzoekers hoeven niet geforceerd hun instemming te betuigen uit angst vijanden te maken. Zij hoeven zich niet te onthouden van een oordeel omdat ze met Professor X nog jarenlang in dezelfde beoordelingscommissie zullen zitten. Ze hebben nog geen geduld om te investeren in netwerken en belangrijke relaties, en dat spaart veel tijd en ongenoegen. Met andere woorden, zij zijn nog niet geconditioneerd door alle sociale mechanismen die voor de generatie boven hen al van levensbelang zijn geworden. Ten tweede is er hun bevlogenheid, waarmee ik niet doel op het wereldverbeterende idealisme dat we sinds de jaren zestig met twintigers associëren. Niet afgeleid door de versnippering en gedeelde loyaliteiten die het werk van mensen met een vaste aanstelling kenmerkt, kunnen jongeren zich met hart en ziel storten op hun onderwerp. Dat betekent echter niet zonder meer blindheid, eerder een monomane wispelturigheid en eenkennigheid. Niet gehinderd door te veel kennis over de mislukte pogingen van anderen, zijn zij in staat buiten de afgesproken grenzen van hun vakgebied te kijken. Fouten maken hoort hierbij en is ook niet dramatisch, omdat ze nog geen reputatie te verliezen hebben. Selectief zoeken ze datgene dat ze nodig hebben en springen vrolijk over naar een andere methode als die hun beter past. Niet zelden leidt dat, althans tijdelijk, tot extreme - en dus soms stimulerende - standpunten. Daarbij komt dat als je jong bent, je minder neiging hebt om te relativeren. Dan lijkt je eigen onderwerp al gauw het belangrijkste dat je om handen kunt hebben. Perfectionisme is een luxe die je je dan naar believen kunt permitteren. Ten derde, een dartele geest huist bovendien in een gezond lichaam. Jonge mensen hebben gemiddeld nu eenmaal meer energie en veerkracht. Ook al slapen ze een hele week te weinig, dan nog hebben ze zelden last van hoofdpijn of depressiviteit, zoals vele vijftigers. Als je ongebonden, onbezorgd en gezond bent en verder niets te verliezen en alles te winnen hebt, is dartelen geen kunst. En dan, opeens, blijkt de dartelheid te verdwijnen. Andere belangen gaan tellen: uitzicht op een vaste baan, verantwoordelijkheden in relaties, kinderen, hypotheken. Bij het ouder worden ontstaat begrip voor het belang van het compromis. Een zekere berusting treedt op, want met iedere keuze worden andere wegen afgesloten: de wereld wordt geleidelijk kleiner. Dertigers zien de zware tol die de wetenschappelijke en maatschappelijke concurrentie eist. Het wordt verleidelijk om het rustiger aan te doen, te leren leven met eigen beperkingen. Voor perfectionisme is steeds minder tijd, want er moeten nog zoveel andere dingen gedaan worden. De tijd glipt door hun handen, en succes blijkt soms voornamelijk gestoeld op het handhaven van een precair machtsevenwicht. Ook in wetenschappelijke zin is het is niet makkelijk om een vrijdenker te blijven. De aangepastheid wordt er op de universiteit al snel en met harde hand ingehamerd. Onorthodoxe ideeen? Weinig wetenschappelijke tijdschriften hebben daar ruimte voor en met dwarsliggers heeft menige instelling geen enkel geduld. Bovendien: briljante ideeën die je niet kunt overdragen, worden niet beloond. Het lijkt een onvermijdelijke ontwikkeling, ook al omdat bij nader inzien het beeld van de jongere generatie niet in alle opzichten zo idyllisch en onschuldig is. Onaangepastheid is soms een ingrediënt van creativiteit, maar kan ontaarden in naieviteit en egoïsme. Onkunde en gebrek aan respect zijn gevaarlijke wapens in een organisatie. De dubbelzinnigheid ligt in het feit dat jongeren uiteindelijk direct belang hebben bij het ondermijnen van de posities van de gevestigde generatie, omdat daar hun eigen toekomst ligt. Een pleidooi voor onaangepastheid en onorthodoxie als doel op zich is ongepast. Wie wetenschap bedrijft, staat op de schouders van zijn voorgangers: continuiteit is een noodzaak. En wat geldt voor de wetenschap, zal ook opgaan voor veel andere terreinen. Niettemin, iedere organisatie heeft zijn dosis dartelheid nodig. Vernieuwingszin, gebrek aan respect voor heilige huisjes, onbespreekbare verworvenheden en zinloos geworden rituelen behoeden ons voor de matheid die ontstaat uit een onbevredigd leven, en voor de zelfgenoegzaamheid van degenen die niemand meer durft tegen te spreken. Om te voorkomen dat wij als een kudde makke schapen met doffe blik dezelfde platgetreden paadjes bewandelen, helpen slechts twee dingen: het verlies aan dartelheid bij de schapen vertragen en het aantal dartele lammetjes in de instelling op peil houden. Het eerste wordt verkregen door het scheppen van nieuwe uitdagingen, meer flexibiliteit in werkprogramma's en uitwisseling van staf- en managementposities. Het af en toe overstappen naar onderwerpen die net naast het eigen vakgebied liggen, levert voor veel mensen een hernieuwde golf van creativiteit op. Het belonen van het overschrijden van disciplinaire grenzen dat nu meestal streng wordt gestraft, vormt een andere mogelijkheid. Het scheppen van vaste banen voor jonge medewerkers, hoe belangrijk ook voor het individu, is overigens geen oplossing, omdat juist die veiligheid veel van de noodzakelijke marginaliteit en onafhankelijkheid opheft. Het handhaven van het aandeel jonge mensen ligt moeilijker, niet in de laatste plaats vanwege de vergrijzing van de samenleving. Dit leidt ertoe dat in verhouding het aantal mensen onder de dertig sterk zal afnemen, en met hen de noodzakelijke dosis speelsheid en kritische zin. Die demografische ontwikkeling maakt de vraag des te intrigerender of met het ouder worden het verlies aan intellectuele dartelheid onvermijdelijk is.