ALJE OLTHOF 1935-1995; Ondogmatisch ontwerper

De Groningse ontwerper Alje Olthof, die begin deze week plotseling in Amsterdam is overleden, heeft een belangrijke en zeer eigenzinnige bijdrage geleverd aan de boektypografie in Nederland.

Halverwege de jaren zestig, toen de typografie nog werd gedomineerd door Wim Crouwel en de schreefloze Zwitserse school, koos Olthof voor de Ehrhardt, een revival van een 17de-eeuwse letter. Het zou een van zijn lievelingsletters worden en een belangrijk instrument in de strijd voor goede, leesbare boektypografie.

In een vraaggesprek in 1986, het enige dat hem werd afgenomen, merkte Olthof op: “Als ik dictator van Nederland was, werden Wim Crouwel en zijn volgelingen voor een jaar zeer comfortabel verbannen naar Schiermonnikoog. Ze kregen dan alle boeken mee die ze maar wensten - in een schreefloze letter. Na die twaalf maanden praatten we nog eens.”.

Heldere organisatie en leesbaarheid stonden in het werk van Olthof voorop. Een onderzoek naar zinnige omgang met tekst begint bij het werk van zulke mensen als Alje Olthof, schreef onlangs de criticus Robin Kinross in het toonaangevende Britse typografietijdschrift Eye: Engelse lof dus voor een anglofiel typograaf.

Olthof was autodidact. Na assistentschappen bij Jan van Keulen (De Groene Amsterdammer) en Jurriaan Schrofer bij (drukkerij Meijer), vestigde hij zich eind jaren vijftig in Brussel als opmaakredacteur van onder meer Het laatste nieuws. Halverwege de jaren zestig volgde een aanstelling bij uitgeverij Querido in Amsterdam. Onder uitgever Reinold Kuipers vond hij zijn bestemming als boekverzorger. Met ontwerpen voor uitgaven van Jan en Annie Romein-Verschoor en Benvenuto Cellini, toonde Olthof direct zijn grote kracht aan. Kuipers: “Olthof was geen puristisch ontwerper, hij was klassiek maar ook speels. Zijn heel grote verdienste was dat hij bij een grote distinctie toch krachtig durfde te zijn.”

Bij een fusie met de Arbeiderspers (1971) verruilde Olthof zijn positie voor een freelance praktijk. Cruciaal hierbij waren trouwe opdrachtgevers als Theo Sontrop (Meulenhoff; de Arbeiderspers), voor wie hij bijna 300 omslagen ontwierp, en Gary Schwartz, met wie hij onder meer gestalte gaf aan de alomvattende catalogus Alle schilderijen van het Rijksmuseum te Amsterdam (1976), zijn magnum opus op het gebied van toegankelijkheid en organisatie.

Schwartz: “Alje werkte vanuit een breed normbesef, dat ook kleding omvatte en gedrag, taal en menselijke verhoudingen. Alles diende gedegen en bekwaam te zijn. Hij was constant aan het meten en beoordelen, met veel sympathie en begrip, maar voortdurend met het mes van de esthetiek op tafel.”

Begin jaren tachtig ging Olthof nog in Groningen aan de slag als hoofd van de ontwerpafdeling van Wolters-Noordhoff, maar zijn betrokkenheid bij afzonderlijke boekontwerpen stond het uitvaardigen van richtlijnen op het hoogste niveau in de weg. Hij hervatte zijn praktijk in Amsterdam en wist de uitgeverijen Brill en Architectura & Natura aan zich te binden.

Met Alje Olthof verliest de zelden uitbundige beroepsgroep van grafisch ontwerpers een van haar opmerkelijkste persoonlijkheden - een 'conversationalist' met een sardonisch gevoel voor humor, een heer met een aandoenlijke voorliefde voor antiek glas, goede witte wijnen en Cubaanse Manilla's van het model 'blunt' - en een door de vakwereld veel te weinig gevierde ontwerper. Zijn desolate dood door verdrinking heeft een krachtige stroom voortreffelijke boekontwerpen tot abrupte stilstand gebracht.