'Uitholling van Nederlandse industrie loopt niet zo'n vaart'

AMSTERDAM, 24 JAN. Dat was even schrikken vorige week. Toen lekten de opzienbarend te noemen resultaten uit van een gecombineerd onderzoek van de Vrije Universiteit en de Federatie van Nederlandse Exporteurs (Fenedex) naar 'global sourcing'. Ofwel: 'De strategie waarbij een bedrijf niet-lokaal gebonden bedrijfsprocessen verplaatst naar die delen van de wereld waar kosten en toegevoegde waarde het meest gunstig zijn'.

Pakweg: produceren in Azië, assembleren in Polen, administreren in Nederland of een onderzoekscentrum openen in Silicon Valley (Cal.). Volgens de onderzoekers overwegen twee van de vijf internationaal actieve ondernemingen in Nederland binnen vijf jaar gemiddeld 20 procent van hun aktiviteiten naar het buitenland te verkassen.

Gisteren werd het bewuste VU-Fenedex-onderzoek tijdens een symposium over 'global sourcing' in het Amsterdamse VU-auditorium formeel gepresenteerd en besproken. Dreigt Nederland inderdaad leeg te lopen? “Die indruk kan door het onderzoek inderdaad worden gewekt”, aldus de econoom prof. A.H. Kleinknecht. En hij herleidde die zijns inziens onjuiste indruk tot een fundamentele zwakte in het met veel publiciteit omgeven rapport. “Het onderzoek werd alleen onder bedrijven in Nederland uitgevoerd.” Volgens hem zijn in andere landen bedrijven die zich afvragen of ze niet beter faciliteiten naar het buitenland kunnen verplaatsen - naar Nederland bijvoorbeeld. Kleinkecht: “Dus om een evenwichtig beeld te krijgen, had dit onderzoek ook in die andere landen moeten worden gehouden”.

In het VU-Fenedex-rapport wordt gemeld dat van de Nederlandse bedrijven met buitenlandse aspiraties 21 procent mikt op West-Europa, 21 procent op Oost-Europa en 13 procent op Azië. En door 80 procent van alle ondervraagde bedrijven werd kostenverlaging als belangrijkste motief voor de migratieplannen genoemd. “Maar over welke kosten hebben wij het hier”, vroeg Kleinknecht zich af. Als een bedrijf naar Polen gaat wegens de tien maal lagere loonkosten daar, dan is er weinig aan te doen. Daar valt niet tegen te concurreren. Bovendien gaat het vaak om laagwaardige produktie. Maar denkt zo'n bedrijf aan Frankrijk, dan zijn er meestal wel mogelijkheden daaraan het hoofd te bieden. Bijvoorbeeld door geven van gunstige vestigingsvoorwaarden.”

Ook werkgeversvoorman J.C. Blankert bleek niet echt in paniek door het fenomeen van de 'global sourcing'. “Dat is al jaren aan de gang”, zei hij. Bedrijven verdwijnen weliswaar uit Nederland, maar er worden evengoed buitenlandse bedrijven naar Nederland gelokt - mits wij tenminste zorgen voor een gunstig kostenniveau, een prettig werk- en leefklimaat, een goede infrastructuur en een hoog kennisniveau.”

Ir. P. Klapwijk van adviesbureau ATKearney vulde aan: “De kunst is meer bedrijven binnen te halen dan er vertrekken”. Hij had de indruk dat dit Nederland tot nu toe niet slecht afgaat. “We hebben veel succes bij het aantrekken van Europese distributiecentra en hoofdkantoren.

VU-medewerker drs. F. van Eenennaam, die het VU-Fenedex-onderzoek leidde, zei desgevraagd toch een wat somberder indruk te hebben. Maar hij erkende dat exacte gegevens over de balans tussen vertrekkende en zich hier vestigende bedrijven nog niet bestaan.

Drs R.F. van Esch van het ministerie van economische zaken verzekerde de toehoorders in het volle VU-auditorium dat onderzoeken naar de gevolgen van 'global sourcing' in het algemeen gunstig uitvallen. “Bij ons is daardoor een trend naar meer hoogwaardige werkgelegenheid ontstaan, al zien we tegelijk een neergang in de vraag naar laag gekwalificeerde arbeid.” Volgens Van Esch speelt de overheid nu een stimulerende rol in dit hele proces door een zo goed mogelijk industriebeleid te voeren. En zo'n beleid mikt behalve op het scheppen van een goed werk- en leefklimaat vooral ook op het voeren van een offensief technologiebeleid. “Bravo”, riep Kleinknecht, “maar wat zien wij in werkelijkheid? Dat het nieuwe kabinet juist extra bezuinigt op de toch al niet optimale Nederlandse kennis-infrastructuur.”

Dat twee van de vijf ondervraagden 'de intentie' blijken te hebben om de komende vijf jaar een deel van hun bedrijvigheid naar elders te verkassen, bleek uiteindelijk ook symposium-voorzitter Van der Wyck van de Fenedex niet echt te verontrusten. “Misschien is het zorgwekkender als de rest zou doen of de wereld stil stond.”