Leuk voor de glazenwassers

Architecten zullen niet gauw toegeven dat hun scheppingen modieus zijn, toch laten gebouwen zich gemakkelijk dateren. De jaren negentig kennen hun eigen architectuur-mode. Een paar stijlkenmerken ervan kunnen nu al worden gecatalogiseerd. Deze week: de schuine wand

“De deur is twee meter hoog. We weten waarom”, schreef Mart Stam (1899-1986) in de jaren twintig. “De muur is recht. We weten waarom”, zou deze strengste aller Nederlandse functionalisten ook hebben kunnen schrijven. Want waarom zou een muur scheef zijn? Een schuine wand is moeilijker te bouwen dan een rechte muur, en dus duurder. Als hij nog leefde zou Stam zich ongetwijfeld hebben geërgerd aan de schuine, naar voren hellende façades die de laatste jaren steeds vaker opduiken in de Nederlandse architectuur. “Onfunctioneel, een misdaad tegenover de glazenwassers”, zou hij hebben gemompeld.

Er zijn in Nederland inmiddels al heel wat kantoren uitgerust met een scheve façade. In Rotterdam Alexanderpolder staan er nu op korte afstand van elkaar zelfs twee. Bij het station van Voorburg is een vergelijkbaar kantoorgebouw verrezen met een schuin façadedeel en in Amsterdam staat het Nissan-gebouw, dat onder meer bestaat uit een plat groen blok met een naar voren buigende gevel.

Het zijn niet alleen kantoren die zo'n gevel hebben gekregen. Het pas geopende, door Frits van Dongen ontworpen theater in Leeuwarden, de Harmonie, heeft er aan de grachtkant een, en Ben van Berkel gaf zijn bedrijfsgebouw De Karbouw in Amersfoort er een. Het sociaal-cultureel centrum in Diemen, ontworpen door Sjoerd Soeters, laat een bijzondere uitvoering zien: hier is het hele voorste blok iets gekanteld, zodat het naar voren helt. Ergens anders in Amersfoort, in de modelwijk Kattenbroek om precies te zijn, bouwde Van Berkel een multifunctioneel centrum met een vooroverhellende façade. Kattenbroek is trouwens helemaal een modieus wijkje, want zelfs verschillende woningen hebben daar een schuine gevel gekregen. Daar is ook de goedkopere, maar bijna net zo effectieve variatie op de schuine façade te zien. Bij sommige woningen helt de gevel niet over de volle breedte naar voren, maar is het gebouw ingeklemd tussen twee schuine zijmuren.

Het is niet helemaal duidelijk wat de architecten met hun schuine façades willen. Waarschijnlijk vinden de meesten het alleen maar mooi, meer niet, en hebben ze geen boodschap aan het deconstructivisme, de architectuurstroming waaruit het stijlmiddel van de schuine façade afkomstig is. We leven in een onzekere tijd, zo redeneren de deconstructivisten ongeveer, en daarbij past een onzekere architectuur. Hun gebouwen zijn daarom vaak opeenstapelingen van schuine en scheve vormen, met als extreemste voorbeelden die van Coop Himmelblau, het Weense architectenbureau dat het treinongelukkendak van het Groninger Museum voor zijn rekening nam. In Nederland is het Rem Koolhaas, jarenlang ten onrechte door veel experts versleten voor een deconstructivist, die de naar voren hellende façade als een van de eersten gebruikte. In zijn ontwerp uit het begin van de jaren tachtig voor de Boompjes in Rotterdam staat een toren met een schuine façade. Weliswaar is dit ontwerp nooit uitgevoerd, maar toch is het dankzij allerlei publikaties bekend geworden.

Maar het deconstructivisme is niet de oerbron. Die moet worden gezocht in de de Russische avant-garde van omstreeks de Oktoberrevolutie (1917). Niet voor niets hebben verschillende deconstructivisten zich laten inspireren door de Russische avant-garde. Als de Russische avant-garde met één woord zou moeten worden getypeerd, dan is het met: de diagonaal. In Malevitsj' abstracte suprematistische schilderijen, die veel invloed hadden op de Russische modernistische architectuur, heerst de diagonaal die de suggestie wekt dat de geometrische vormen door een eindeloze ruimte zweven. Het beroemde monument voor de Derde Internationale (1919) van Vladimir Tatlin, dat hoger moest worden dan de Eiffeltoren, helde zelfs in zijn geheel naar voren en stond nog schuiner dan de toren van Pisa. Het was een onrealistisch ontwerp dat het dan ook nooit verder heeft gebracht dan een houten model van een paar meter. Wel bouwbaar maar ook niet uitgevoerd is het ontwerp van Alexander en Viktor Vesnin voor de krant Leningradskaja Pravda uit 1924. Vermoedelijk is dit het eerste realistische ontwerp waarin de schuine façade opduikt. Bescheiden nog, maar wel precies zo als later in Koolhaas' Boompjesproject en in de kantoorgebouwen in Alexanderpolder.