Nederlandse atletiek vestigt hoop op elitegroep

De wereldkampioenschappen atletiek in augustus in Gothenburg zijn het meest aansprekende sportevenement in 1995. De Nederlandse atleten en atletes hebben iets goed te maken na de zwakke prestaties bij de EK van vorig jaar in Helsinki. Er is voor een nieuwe koers gekozen waarbij op weg naar de WK en de Olympische Spelen van Atlanta aanzienlijk minder atleten en atletes steun van de bond krijgen. Olympisch 800-meterkampioene Ellen van Langen blijft ondanks haar voortdurende blessureleed de grootste troef van Oranje.

Bert Paauw, technisch directeur van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie, meent dat de groep van topatleten en -atletes die door de bond wordt gesteund nóg kleiner had mogen worden. “Maar dat zou waarschijnlijk echt te gek zijn geweest. Misschien komt dat na Atlanta nog wel.”

Aan het begin van dit seizoen werd al heel drastisch ingegrepen. Vorig jaar bestonden de KNAU-selecties nog uit 53 atleten, nu nog slechts uit 23 mannen en vrouwen. Zij zijn ingedeeld in twee groepen. Een zogenoemde 'Atlanta-selectie' waarin sporters zijn opgenomen van wie wordt verwacht dat ze bij de Olympische Spelen van 1996 een finaleplaats kunnen halen. En daaronder een 'Sydney-groep' met talenten en atleten die op de Spelen van 2000 een goede kans maken het hoogste niveau te bereiken. Paauw verwacht naar schatting tussen de 400.000 en 500.000 gulden per jaar aan de top te moeten besteden.

Het verkleinen van de kernploegen met liefst dertig atleten veroorzaakte in de atletiekwereld teleurgestelde reacties. Voor velen werd de kraan voor financiële en materiële steun abrupt dichtgedraaid. Uiteindelijk vielen de reacties van de afvallers Paauw nog mee. “Het leek wel of ze verdoofd waren en iets hadden van: 'Dit kan toch niet waar zijn'.” De marathonlopers Ten Kate en Vermeule reageerden wel. Ze dreigden een vergoeding te vragen voor wedstrijden waarin ze Nederland vertegenwoordigen. Op Paauw maakte de reactie weinig indruk. “Dat zijn emotionele uitlatingen.”

De technisch directeur heeft niet wakker gelegen van de fikse ingreep. Twee lange middagsessies met de vier vakgroep-coördinatoren waren nodig om tot een selectie te komen. “We hielden na de eerste keer zo'n veertig à vijftig namen over. Daar gaan we weer, dacht ik.” Hij ging daarna rigoureus met het rode potlood aan de slag. “We zijn met topsport bezig.” Na de EK van Helsinki kreeg Paauw nog het verwijt te aardig te zijn. “Ik ben ook geen onvriendelijke jongen, maar zacht, nee, dat ben ik zeker niet.”

Hij is inmiddels gewend te fungeren als de kop van Jut. Hij noemt Elly van Hulst als voorbeeld. “Wij hebben haar twee keer het voordeel van de twijfel gegeven. Toen ze daarna aan de EK wilde meedoen op grond van een tijd die niet klopte, kon dat natuurlijk niet. Daar had ze geen begrip voor. Op zo'n moment ben ik dan ineens de grootste klootzak van Nederland.”

Toch vindt Paauw (46) dat hij beter af en toe een boeman kan zijn dan dat hij atleten naar kampioenschappen uitzendt die het niveau niet aankunnen. Want hij wil nooit meer zo'n afgang meemaken als verleden jaar in Helsinki. Voor de EK voorspelde Paauw nog zes Nederlandse finaleplaatsen - zes atleten bij de eerste acht. Het werden er, mede door de blessures van kanshebbers Van Langen en Maas, slechts twee. Daarbij behoorde de eigenzinnige veterane Nelli Cooman, die verdienstelijke vijfde werd op de 100 meter. De Rotterdamse atlete had zich afzonderlijk op de titelstrijd voorbereid.

Een schamele oogst die hoon en kritiek ontlokte. “Ik voelde me naarmate het toernooi vorderde steeds kleiner worden”, blikt Paauw terug. Hij zag hoe bijna de hele Nederlandse afvaardiging in Helsinki werd meegetrokken in de malaise van degenen die faalden en geblesseerd moesten afhaken. In een poging het gezicht van de ploeg te redden, gingen sommigen daarna krampachtig te werk.

Paauw had eerder in Barcelona (goud voor Van Langen) en Stuttgart (zilver voor Van Vlaanderen) ook het tegenovergestelde meegemaakt. Eén aansprekend succes kan het moreel van het hele team opkrikken en geeft meteen een ander beeld naar buiten. “De prestaties bij de laatste WK in Stuttgart waren over het algemeen ook mager. Maar door de heisa rondom Erik de Bruin en vooral het zilver van Bert was daar toen minder aandacht voor.”

De ontwikkelingen in Helsinki sterkten Paauw in de gedachte dat de KNAU zich in het vervolg op een kleinere groep atleten zou moeten concentreren. Een groep die het imago van de Nederlandse atletiek kan oppoetsen. “Het speelde al jaren door mijn hoofd, maar ik wilde bij mijn aantreden bijna drie jaar geleden niet gelijk als eigenwijs overkomen.” Met zogenaamde A- en B-limieten in combinatie met nationale titels wilde Paauw niet meer werken. Er is voor de WK per onderdeel één richttijd of -afstand vastgesteld, gebaseerd op een gerede kans om bij de beste twaalf te eindigen.

“Ik heb zelfs even met het idee rondgelopen om alle limieten in de prullenbak te gooien”, bekent Paauw. “Ik baalde er enorm van. In Helsinki bleek weer dat gehaalde limieten absoluut niet borg staan voor goede prestaties.” Maar uiteindelijk vond hij het te ver gaan om niet meer met limieten te werken. “Want in de atletiek is alles juist zo meetbaar.”

Paauw wil op weg naar Gothenburg en Atlanta proberen teamgeest binnen de nu betrekkelijk kleine selecties te kweken. Ten onrechte dacht hij lange tijd dat het genoeg was om de atleten alleen faciliteiten te bieden. “Maar het is ook heel belangrijk om krachten en kennis te bundelen”, beseft hij. Volgens Paauw staat de slechte verstandhouding tussen sommige privétrainers samenwerking in de weg. De technisch directeur hoort ze regelmatig “lelijke dingen” over elkaar zeggen. “Ze bellen me op en vertellen me dan dingen over een collega waarvan ik denk: wat moet ik daar nou mee? Het zal wel een manier zijn om jezelf in de aanbieding te doen.”

Toch heeft Paauw bij de meeste atleten en hun trainers de bereidheid bespeurd om samen te werken. Zo willen de drie 800-meterloopsters Van Langen, Jongmans en Goossens regelmatig met elkaar gaan trainen. “Dat soort dingen stimuleren we heel erg.” Paauw heeft ook gemerkt dat de atleten het belangrijk vinden om bij de elitegroep te horen. Bewust, op advies van de atletencommissie, werden de namen van Atlanta en Sydney, de olympische stad in het jaar 2000, aan de selecties verbonden. “Die geven er een bepaalde status en uitstraling aan.”

Paauw hoopt volgende maand een soort chef-trainer aan te stellen die zich intensief met de selecties zal bezighouden. De directeur (“Ik vergader me kleurenblind”) heeft daar zelf geen tijd voor. Trainer Henk Kraaijenhof lijkt een uitstekende kandidaat. Naast Cooman kloppen steeds meer Nederlandse atleten voor advies bij hem aan. Maar Paauw zegt te weten dat Kraaijenhof geen fulltime-functie bij de KNAU ambieert. Wel heeft de atletiekspecialist in gesprekken met Paauw laten weten de bond de helpende hand te willen toesteken. Kraaijenhof zal ook zeker worden uitgenodigd om te spreken op één van de bijeenkomsten die de bond regelmatig met alle geselecteerden wil houden. De eerste staat in februari op het programma.

Paauw hoopt straks met een ploeg van tien à twaalf atleten en atletes bij de komende WK aan de start te verschijnen. In zijn onlangs verschenen topsportbeleidsplan is zijn doelstelling voor Gothenburg het bereiken van twee finaleplaatsen. Hetzelfde aantal geldt voor Atlanta en de WK van 1997 in Mexico. Pas voor de WK van '99 en de Olympische Spelen van 2000 wordt de doelstelling verhoogd naar drie finaleplaatsen. Paauw beseft na de ervaring van Helsinki dat het “link” is om voorspellingen te doen. “Maar ik hoop hiermee voor een extra uitdaging en prikkel te zorgen. We moeten ons niet laten leiden door angsthazerij.”

De Atlanta-groep: Corrie de Bruin, Erik de Bruin (onder voorbehoud), Cooman, Goossens, Jaklofsky, Jongmans, Koers, Van Langen, Maas, Poelman en Van Vlaanderen.

De Sydney-groep: Van Balen, Dost, Goormachtigh, Van Hest, Koens, Krotwaar, Laros, Looije, Tamminga, Toonstra, Versteeg en Vroemen.