Instemming met plan kustwacht Antillen

DEN HAAG, 21 JAN. De Rijksministerraad (het Nederlandse kabinet aangevuld met de gevolmachtigde ministers van de Antillen en Aruba) heeft gisteren ingestemd met het plan om nog dit jaar een kustwacht voor de rijksdelen in de West op te richten. Het advies was voorbereid door een commissie met vertegenwoordigers van de drie landen.

De kustwacht moet een bijdrage gaan leveren in de strijd tegen de internationale criminaliteit in het Caraïbisch gebied, door onder andere drugstransporten te onderscheppen. Ook zal de kustwacht de illegale visserij in het zeegebied rondom de Antilliaanse eilanden en Aruba helpen bestrijden, en vervuiling van het milieu door schepen tegengaan.

Op het grootste Antilliaanse eiland, Curaçao, wordt een kustwachtcentrum opgericht, en op Sint Maarten en Aruba komen steunpunten. De investeringen in gebouwen, infrastructuur, verbeterde aanlegplaatsen, drie patrouillevaartuigen en enkele kleine vaartuigen zullen ongeveer 60 miljoen gulden vergen. Bovendien zal Nederland middelen van de Koninklijke Marine ter beschikking stellen en leveren de Antillen en Aruba een bijdrage uit hun politie- en douanediensten. De operationele exploitatie van de kustwacht is begroot op ongeveer 39 miljoen gulden per jaar. Over de verdeling van de investerings- en exploitatielasten zullen de regeringen van Nederland, de Antillen en Aruba nader overleg voeren. Daarna zal de Rijksministerraad hierover een besluit nemen.

De Commandant Zeemacht (Koninkrijke Marine) krijgt ook de leiding over de nieuwe kustwacht. Het beheer wordt gevoerd door de minister van defensie van het Koninkrijk (Voorhoeve). De “justitiële aansturing” wordt de verantwoordelijkheid van de drie ministers van justitie van het Koninkrijk gezamenlijk. Voor hun beleid kunnen voorstellen worden gedaan door het overleg van de procureurs-generaal van de Nederlandse Antillen, Aruba en de voorzitter van de procureurs-generaal in Nederland. Zou het overleg van de drie ministers van Justitie op een bepaald beleidsaspect niet tot gezamenlijke conclusies leiden, dan beslist de Rijksministerraad. “Door deze opzet staat de eigen verantwoordelijkheid van de landen voorop, terwijl tevens is voorzien in een besluitvaardige structuur”, aldus het besluit van gisteren.