Het leed dat woede wekt

Verstard groepsdenken, irrationele woede tegen cynici uit eigen kamp, verkrampte pogingen de joodse was binnen te houden. In bepaalde joodse kringen is elke kritiek op joden of jodendom ingegeven door antisemitische motieven. Onbegrijpelijk is dat niet: de joodse identiteit wordt grotendeels bepaald door leed en trots.

EVELIEN GANS: Gojse nijd en joods narcisme

159 blz., Arena, Platina reeks, 1994, ƒ 27,50

Hebt u in het Nederlandse spraakgebruik ooit gehoord van protestantse of roomskatholieke mensen? En van Amerikaanse en Duitse mensen? Nee, wij spreken van protestanten, roomskatholieken, Amerikanen en Duitsers. Maar wel spreken we over joodse mensen, uit schroom of angst het woord joden in de mond te nemen. Zolang we geen 'joden' durven te zeggen, klopt er iets niet in de verhouding tussen niet-joden en joden in Nederland.

De geschiedenis van de verhouding tussen joden en niet-joden is lang, bizar en gruwelijk genoeg om haar te vertellen aan de hand van een fenomeen dat menige serieuze studie over het onderwerp in de schaduw stelt: de joodse humor. Neem dit verhaal dat stamt uit de tijd van de Oostenrijkse Donaumonarchie: Op een paardenmarkt in een stadje in Galicië stormt een Oekraïense boerenjongen plotseling op een jood af en begint hem in elkaar te slaan. Een passerende Poolse grootgrondbezitter ziet het, rukt de jongen van de jood los en vraagt hem streng: “Waarom doe je dat?” “Omdat de joden Christus gekruisigd hebben”, antwoordt de Oekraïener. “Maar dat is tweeduizend jaar geleden!” zegt de Pool. “Kan zijn”, zegt de jongen, “maar ik heb het vandaag pas gehoord.”

In Nederland is er opmerkelijk weinig over de naoorlogse verhouding tussen joden en niet-joden geschreven. Of dat uit verlegenheid of uit onverschilligheid voortkomt, valt moeilijk uit te maken. Het thema heeft de vorm en het gewicht van een zwart gat, bekend uit de astronomie: meer dan loodzwaar en daarom juist onzichtbaar. Het past ook goed in de Nederlandse traditie om de treurige effecten van het menselijk tekort eerst en vooral in het buitenland te zoeken.

Er is een aantal deelstudies van Hondius, Bregstein, Daalder, Druk, Melkman en Levisson en anderen. Maar aan een poging iets meer alomvattends op papier te zetten heeft niemand zich gewaagd. In Gojse nijd en joods narcisme doet de historica Evelien Gans nu een poging een deel van het zwarte gat zichtbaar te maken. In de verhouding tussen joden en niet-joden na 1945 ontdekt ze een sleutelbegrip dat van groot belang is voor de houding van de gojim (het Jiddische woord voor niet-joden): de gojse nijd op de joodse identiteit die na de Tweede Wereldoorlog zozeer door het leed van de Shoah bepaald is. En dat leed blijkt nijd op te wekken; zoals de filmer Theo van Gogh het eens kernachtig tegen de schrijver Leon de Winter uitdrukte: “Jullie hebben die verdomde Holocaust om over te schrijven.”

Onder die nijd huizen veelal eeuwenoude antisemitische vooroordelen over de vaardigheid van de joodse overlevingskunst tegen alle pogroms en vervolgingen door de eeuwen heen in, de nijd over de joodse pretentie het uitverkoren volk te zijn, over hun lucratieve beroep als geldschieter en over de wederzijdse joodse ondersteuning. Hier is het essay op zijn best: in een heldere en bondige schets van grote historische lijnen legt Gans uit hoe de joden in een christelijke Umwelt, die hen zelfs in de beste tijden onvriendelijk gezind was, zich gedwongen zagen om als overlevingsstrategie te kiezen voor beroepen als handelaar, geldschieter of intellectueel.

Wanneer Gans de joodse identiteit aan een nader onderzoek onderwerpt, vraagt men zich af waar die gojim nu in hemelsnaam jaloers op zijn. Want de joodse identiteit blijkt rijp voor een fikse analyse: verstard groepsdenken, irrationele woede tegen critici uit het eigen kamp, verkrampte pogingen de joodse vuile was met alle geweld binnen te houden.

Als voorbeeld citeert Gans daartoe de vooroorlogse joodse schrijver Lion Feuchtwanger die met zijn bekende boek Jud Süss uit 1925 ook felle kritiek uit joodse kring oogstte. Feuchtwanger veroorloofde zich in deze historische roman ook de wat minder fraaie eigenschappen te schetsen van de machtshongerige, invloedrijke hofjood Joseph Süss Oppenheimer aan het hof van een Duitse vorst. Feuchtwanger zei later over het boek: “Joden hebben het antisemitisch genoemd, Duitse chauvinisten betitelden het als joods-chauvinistisch, en beide partijen hebben me er krachtig van langs gegeven.”

In dat soort denken in joodse kring is elke kritiek op joden of jodendom ingegeven door antisemitische motieven. Net zoals Sam, die vlak na de oorlog met Moos naar Amerika emigreerde om een nieuw bestaan op te bouwen. In New York aangekomen was het eerste dat de zwaar stotterende Sam zag een groot plakkaat waarop een nieuwslezer voor een radiostation werd gevraagd. Ondanks vermaningen van Moos, die hem vanwege de handicap op zijn geringe kansen wees, solliciteerde Sam ter plaatse op de functie. Na twee minuten stond hij alweer buiten, heftig schreeuwend: “V-v-v-uile a-a-a-ntis-s-semieten!!”

Op geloofwaardige wijze construeert Gans een naoorlogse joodse identiteit die opgebouwd is uit leed en trots - het leed van de Tweede Wereldoorlog en de trots over het eeuwenlang vasthouden aan de eigen identiteit, die een stroom aan schrijvers, wetenschappers en musici heeft voortgebracht. Het woord trots lijkt me hier te zwak en beter te vervangen door superioriteitsgevoel, hetzelfde verschijnsel dat zich bij andere assertieve minderheidsgroepen voordoet als orthodoxe calvinisten, communisten of socialisten. Gans verzuimt in dit verband, behalve het woord sjikse (een niet-joods meisje) de uitgebreide woordenlijst te noemen in het Jiddisch waar alle woorden die betrekking hebben op gojim zonder uitzondering een betekenis hebben die Nederlanders hechten aan het woord Belg: dom, achterlijk, lui, naïef.

De joodse identiteit kent soms bizarre complicaties. Zo constateert Gans dat de antisemitische visie van de joodse collectieve verantwoordelijkheid ook bij sommige joden is binnengeslopen. Maar dan met een omgekeerd teken, namelijk in de vorm van trots van wat andere joden (Freud, Canetti, Einstein) gepresteerd hebben, terwijl dezelfden anderzijds de schaamte over een bloedbad als dat in Hebron verontwaardigd afwijzen. Dit eten van één walletje, het lekkere, wijst ze af: “Soms heeft het er alle schijn van dat joden die zich terugtrekken in hun leed en trots, een groep geïnterneerden vormen in een gevangenis met een wel erg geprivilegieerd karakter. Dat andere gevangenen in het huidige tijdsgewricht aan een heel wat zwaarder regime zijn onderworpen, vermag niet door de dikke muren heen te dringen.”

Waar de persoonlijkheidsstructuur van sommige joden rijp is om op Freuds divan te worden gelegd, daar is het de vraag of voor de identiteit van sommige niet-joden überhaupt nog enige therapie zal baten. Uitvoerig staat Gans stil bij de al tien jaar durende controverse tussen de joodse schrijver Leon de Winter en de filmer Theo van Gogh. Zij citeert Van Gogh die De Winter verweet zijn jood-zijn uit te venten door reclame te maken met zes miljoen doden. De Winter zou gebruik maken van de “stank van de crematoria” om zijn “smakeloze” boek Place de la Bastille van een luchtje te voorzien. Van Gogh meende zijn mening kracht te moeten bijzetten door het debiteren van twee antisemitische 'grappen' over suikerzieke joden in verbrandingsovens en 'twee copulerende gele sterren', die ik hier uit kiesheid niet zal vermelden.

Gans blijft niet bij de zaak zelf, maar laat zich verleiden tot speculaties over de geestesgesteldheid van Van Gogh, die zou worstelen met zijn identiteit uit zijn jeugd in Wassenaar. Daaraan doet ze onverstandig omdat het afbreuk doet aan de inhoud van de affaire en zelfs de schijn kan wekken dat mensen met een identiteitsprobleem een speciale neiging zouden hebben tot het maken van antisemitische opmerkingen.Ware dat zo, dan zou Nederland gonzen van kreten à la Van Gogh. Iemand die een antisemitische opmerking maakt, is nog niet meteen een full dress antisemiet. Dat weet Van Gogh ook en vanuit die nis in het labyrint van uiterst gevoelige definities hult hij zich in de mantel van de absolute vrijheid van meningsuiting en gaat door met zijn provocerende opmerkingen.

Mij lijkt het een discussie van pure casuïstiek of Van Gogh nu een echte antisemiet is of niet, te vergelijken met het vraagstuk dat in de Middeleeuwen talloze roomskatholieke scholastici uit hun slaap hield, namelijk hoeveel engelen er op de punt van een naald zouden kunnen zitten. Het poneren van antisemitische uitingen is immers wat telt, of ze nu door Theo van Gogh of door Karl Marx gedaan worden, die in Over het Jodenvraagstuk in 1844 schreef: “Wat is de wereldlijke eredienst van de joden? Het gesjacher. Wat is zijn wereldlijke God? Het geld.”

Gaandeweg begeeft Gans zich meer in de loopgraven van de diverse Nederlandse columnisten waardoor meer dan tweekolomsmeningen langzaam maar zeker het onderspit delven. Zo verliest het essay aan diepte en belang. Een goed voorbeeld daarvan is de vraag of de joden zich in de Tweede Wereldoorlog min of meer willoos naar de vernietigingskampen hebben laten voeren en zo ja, wat de oorzaken ervan zijn dat het nooit tot een joodse opstand tegen de vernietiging is gekomen.

De befaamde pedagoog Bruno Bettelheim, die over dat probleem heeft gepubliceerd wordt, zonder citaat, slechts in het voorbijgaan genoemd als compagnon van de columnist Pam, die een totaal verkeerde visie op dit vraagstuk zou hebben. Als protagonist van haar visie dat het helemaal niet zo makkelijk was om in opstand te komen, haalt ze een gesprek van de Amerikaanse striptekenaar Spiegelman met zijn vader aan. Het lukt de wereldberoemde Bettelheim zelfs niet om in de beknopte literatuurlijst van het boek opgenomen te worden.

Gans houdt een hartstochtelijk pleidooi voor een nationaal debat over het verbijsterende feit dat Nederland buiten het Duitse taalgebied het hoogste percentage vermoorde joden van West-Europa heeft: 75 procent. Zo'n debat lijkt me nuttig en zinvol, ook al verbindt Gans in het boek het hoge percentage te direct en te eendimensionaal aan het antisemitisme of de onverschilligheid van de bevolking in Nederland.

Het onderzoek van de historicus J.C.H. Blom, dat een poging doet deze vraag te beantwoorden, vermag niet veel indruk op haar te maken. Min of meer terloops wordt de studie aangehaald, die onder andere wijst op de specifieke geografie van Nederland (klein, geen bergen, geen niet bezet aangrenzend land om naar te vluchten), terwijl in Nederland de fanatieke SS de dienst uitmaakte, in plaats van de Wehrmacht in België en Frankrijk. Ook de gezagsgetrouwheid van de Nederlandse bevolking, inclusief de joden, speelt een rol, volgens Blom.

In Frankrijk kwam 25 procent van de joden om, terwijl het Franse antisemitisme me niet drie maal geringer lijkt dan dat in Nederland. De relatie tussen het Nederlandse antisemitisme en de moord op meer dan honderdduizend joden is veel minder direct en daarom complexer. Het Duitse systeem zat zo sluw en perfide in elkaar dat het wellicht ook gelukt was om in Nederland meer dan honderdduizend roodharigen weg te voeren en te vermoorden, om eens een stelling te poneren waarover gediscussieerd zou kunnen worden.

Gans heeft over zo'n discussie hooggestemde, bijna utopische verwachtingen. Ze citeert de schrijver Ian Buruma: “Wanneer de maatschappij voldoende open en vrij is geworden om terug te blikken, niet met het oog van het slachtoffer of de misdadiger, maar met dat van de criticus, pas dan zullen de spoken bezworen zijn.” Dat is natuurlijk een fraaie gedachte, goed passend in een kersttoespraak van de koningin, maar bezijden de realiteit van alledag. Misschien om minder snel teleurgesteld te raken, zet ik minder hoog in: het antisemitisme van voor de oorlog is wellicht het hoogst haalbare waartoe een samenleving als de Nederlandse op dit moment in staat is. Iets dat lijkt op de wijze waarop randstedelijke columnisten nu over katholieken, Duitsers of nouveaux riches plegen te schrijven.

Samenvattend valt te concluderen dat het essay van Evelien Gans inderdaad letterlijk een poging is: lang niet altijd gelukt, niet evenwichtig en met nog veel zwarte gaten. Maar toch een moedig geschrift, geschikt als basis om een publiek debat te beginnen over een thema dat vijftig jaar lang voornamelijk uit een pijnlijke stilte bestond.

De eerste bijdragen aan dat debat zijn, zacht uitgedrukt, weinig hoopgevend. Pam hield zich in een column voornamelijk bezig met de vraag hoe hoog het percentage joods bloed is dat door Gans' aderen stroomt. Theo van Gogh schreef in het Amsterdamse studentenblad Folia Civitatis: “Dat mevrouw Gans in haar onnozele boekje over 'gojse nijd' en 'joods narcisme' een heel hoofdstuk wijdde aan mijn slechte karakter en mijn 'gebrek aan identiteit', stemt natuurlijk dankbaar, al vind ik 't wel zonde van al die bomen, het papier en de moeite. Daarop ensceneerde Van Gogh een zodanig abject tafereel tussen mevrouw Gans en de nazi-arts Mengele dat het hem zijn baan als columnist van Folia Civitatis kostte.

Misschien is het probleem pas werkelijk opgelost als de oude Jozef eindelijk zijn dreigement eens uitvoert: Jozef had natuurlijk een ereloge in de hemel, maar als bescheiden timmerman voelde hij zich vaak onbehaaglijk tussen al die hooggeleerde heiligen. Daarom had hij het van God gedaan gekregen dat hij zich zo nu en dan een weekendje kon verstrooien in Wenen, Parijs of Boedapest. Toen hij een keer, dagen te laat, waggelend van de alcoholische versnaperingen aan de hemelpoort aanklopte, zei Petrus streng tegen hem: “Als je dat nu nog een keer flikt, laat ik je er niet meer in!” Waarop Jozef, boos: “Wat, me niet erin laten? Nog één woord, en ik trek m'n pleegzoon uit de zaak terug en dan zijn jullie failliet!”