Heidegger

De daden van de Duitse filosoof Heidegger, vooral zijn politieke stellingname, vloeien eerder voort uit een revolutionaire dan uit een reactionaire gezindheid. Dat is te lezen in de bespreking door Ger Groot van Rudiger Safranski's Ein Meister aus Deutschland. Heidegger und seine Zeit (boekenbijlage, 14 januari). Ook de Belgische filosoof Harry Berghs ziet Heidegger, zo blijkt uit de bespreking, als een geestverwant van een stroming die zich de 'conservatieve revolutie' noemde.

Hiermee wordt het karakter van de 'conservatieve revolutionairen' in de Republiek van Weimar volkomen miskend. Fundamenteel voor het denken van deze stroming was immers de volledige afwijzing van de denkbeelden der Franse Revolutie. En daarmee van de liberaal-democratische, op gelijkheid voor de wet gebaseerde rechtsstaat zoals die in Duitsland in de Republiek van Weimar gestalte had gekregen. Deze conservatieve 'revolutionairen' waren in feite reactionaire contra-revolutionairen. Hun illusie was, dat zij de massa-beweging van Hitler zouden kunnen gebruiken om de conservatieve elites aan de macht te brengen.

Eén van de belangrijkste conservatieve woordvoerders, Edgar Jung, had in het jaar na de machtsoverdracht aan Hitler in 1933 de moed publiekelijk uiting te geven aan zijn teleurstelling over de gang van zaken. Teleurstelling niet over het einde van de democratische republiek, maar over het uitblijven van de gedroomde conservatieve staat. Hij heeft dat met de dood moeten bekopen. Toen eind juni 1934 SA-leider Röhm en zijn staf werden geliquideerd, werd in de marge van deze actie ook Jung vermoord, evenals een aantal andere conservatieven. Eén van de uitspraken van Jung was, dat de geestelijke voorwaarde voor de (anti-democratische) Duitse 'revolutie' buiten het nationaal-socialisme om werden geschapen. Wat niet wegneemt, dat het uiteindelijk Hitler was, die de vruchten van de anti-democratische agitatie der conservatieve 'revolutionairen' heeft geplukt.

De door Groot aangehaalde na-oorlogse opmerking van Heidegger dat de “industrialisering van de dood zou beantwoorden aan dezelfde morele ontaarding als de industrialisering van de landbouw”, is belangrijk genoeg om volledig te worden geciteerd, zoals zij wordt weergegeven door Heideggers oud-leerling Hans Ebeling in diens boek Martin Heidegger. Philosophie und Ideologie.

Het gaat daarbij om een opmerking uit 1949: “Landbouw is thans gemotoriseerde voedingsindustrie, in wezen hetzelfde als de fabricage van lijken in gaskamers en vernietigingskampen, hetzelfde als de blokkade en het uithongeren van landen, hetzelfde als het vervaardigen van waterstofbommen.” Met ander woorden: wat de Duitsers in Auschwitz deden is hetzelfde als moderne landbouw doet, en ook hetzelfde als wat de andere oorlogsvoerders met hun blokkades deden en met de vervaardiging van de waterstofbom.

Ebeling noemt deze uitspraak van Heidegger een uiting van het verschrikkelijke gebrek aan inzicht van de hardleersen en blijkbaar onbeleerbaren. Hij meent verder dat Heidegger zich ermee aanmatigt datgene wat Ebeling ziet als de feitelijke vernietiging van Duitsland, namelijk de vernietiging van zijn morele zelfbewustzijn voor, onder en na Hitler, tot een te verwaarlozen zaak te verklaren. Ebeling citeert bovengenoemde uitlating van Heidegger overigens in een hoofdstuk dat de titel draagt 'Deutschland als Totenland'.