Een opgewekte biografische toon

J. CHARITE en A.J.C.M. GABRIELS (eindred.): Biografisch Woordenboek van Nederland. Deel 4

xii + 602 blz., Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Den Haag, 1994, ƒ 92,- (deel 1, 2 en 3 verschenen in 1979, 1985 en 1989)

Hoe individualistisch ook, de geschiedbeoefening kan evenmin als andere wetenschappen buiten een infrastructuur van instellingen en hulpmiddelen. Onder die hulpmiddelen behoren de biografische woordenboeken tot de belangrijkste en tevens de meest aangename om te raadplegen. In de geschiedenis gaat het immers, onder erkenning van de betekenis van de befaamde onpersoonlijke krachten, bovenal om mensen. Een geschiedwerk waarin geen enkel individu naar voren treedt is die naam niet of nauwelijks waard. Daarom is de verschijning van een nieuw deel van het Biografisch Woordenboek van Nederland (BWN) elke keer weer een welkome gebeurtenis. (Zie ook de bespreking van Harry van Wijnen in de boekenbijlage van 12-11-94). Op zoek naar bondige, precieze informatie over Nederlanders van (enige) betekenis uit grofweg de laatste anderhalve eeuw zal de onderzoeker weer enkele honderden malen vaker succes hebben.

De aanwezigheid van zo'n hulpmiddel geldt al snel als vanzelfsprekend en aan de geleverde inspanning om het tot stand te brengen wordt dikwijls, bijvoorbeeld door output-metende bureaucraten, achteloos voorbij gegaan. Maar dan ziet men geheel ten onrechte de enorme hoeveelheid werk die door redactie en auteurs moet worden verricht over het hoofd en veronachtzaamt men de hoge moeilijkheidsgraad van het genre. Hoe moeilijk en tijdrovend moet het bijvoorbeeld niet zijn geweest om het leven van J.M. den Uyl in zeven kolommen (drie-en-halve bladzijde) te beschrijven met inbegrip van diens betekenis en een karakterisering van zijn persoon.

De gebruikers van het BWN mogen de redactie en de honderden auteurs dus wel dankbaar zijn. Dit te meer omdat het geleverde werk kwalitatief ver uitsteekt boven vrijwel alles wat Nederland verder te bieden heeft op dit terrein, en voor zo ver mij bekend ook internationaal tot de top kan worden gerekend. Zonder de andere betrokkenen te kort te doen mogen in dit verband twee personen in het bijzonder worden genoemd. De bij het verschijnen van het vierde deel afgetreden voorzitter van de redactiecommissie, I. Schöffer, die het hele project rond 1970 initieerde en er vijfentwintig jaar de drijvende kracht van was. En redactiesecretaris J. Charité, die tussen de verschijning van de delen drie en vier met pensioen ging. Zij hebben alleen al door hun werk aan het BWN, hopelijk in de verre toekomst, een lemma verdiend.

Onevenwichtigheid

Dat oordeel verhindert natuurlijk niet nog enige bespiegelingen aan het BWN te wijden. De achilleshiel van zo'n onderneming bijvoorbeeld vormen de auteurs. Niet zozeer die van de opgenomen bijdragen; geen van de door mij gelezen lemmata blijft onder de minimale eisen, die de redactie kennelijk voldoende streng hanteerde. Het gaat om de niet opgenomen personen. In totaal zijn nu 1621 Nederlanders uit de recente geschiedenis beschreven. Tezamen leveren die een heel interessante geschiedenis in portretten op. Maar dat is dan wel een wat onevenwichtige geschiedenis.

De redactie heeft dat probleem van het begin af aan zelf gesignaleerd. Zij beschikt over, met hulp van deskundigen op allerlei terrein samengestelde, lijsten van op te nemen personen. Maar daarmee zijn nog niet voor alle terreinen voldoende bekwame medewerkers gevonden. Dat geldt volgens de redactie vooral voor katholieke geestelijken, ondernemers, architecten, beeldend kunstenaars, omroepmedewerkers, acteurs en cabaretiers. Men grijpt dus onvermijdelijk ook wel eens mis. Aardig is dan natuurlijk weer als men stuit op een onbekende naamgenoot van een gezochte persoon. Wie bijvoorbeeld generaal B.R.P.F. Hasselman, over wie zoveel verhalen de ronde hebben gedaan, zoekt vangt bot, maar vindt wel de minder bekende koloniaal ambtenaar en lid van de Raad van State C.J. Hasselman.

Naar de aard van het genre is de informatieve waarde van hetBWN over het algemeen uitstekend. Toch kan men er twee kanttekeningen bij plaatsen. Ten eerste is de informatie aan het slot van elke bijdrage onder het kopje A (archieven) wel erg summier. Deze beperkt zich namelijk vrijwel steeds tot de vindplaats van eventuele archivalia. Ik zou wel graag iets meer weten over aard, omvang en toegankelijkheid van dat materiaal. Zo weet ik bij toeval dat achter de simpele verwijzing voor gegevens over M.R.H. Calmeijer naar de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf onder meer heel interessante herinneringen van deze militair en politicus schuil gaan. Omgekeerd zegt bij het volgende lemma in deel vier het feit dat er een collectie-S. Carmiggelt in het Letterkundig Museum is mij nog niets over dat materiaal.

Pietje Bell

Ten tweede zou het de moeite waard zijn geweest iets over de achtergronden van de auteurs te vermelden. Het is in zekere zin merkwaardig, dat juist in een biografisch woordenboek bij de auteurs wordt volstaan met naam, geslacht en titel(s), maar dat elke aanduiding van leeftijd, studie, beroep e.d. ontbreekt. In heel wat gevallen treft men de auteur overigens wel weer aan in de rubriek L (literatuur over de gebiografeerde). Zo verzorgde P. de Rooy het lemma over de antropoloog H.M. (Bernelot) Moens over wie hij eerder een boeiende monografie schreef. Hier gaat het dus, zoals vaker, om zinvol gebruik van voor een ander doel verrichte bronnenstudie. Maar in het geval van de voormalige burgemeester van Utrecht G.A.W. ter Pelkwijk kreeg ik bij toeval de informatie dat de auteur van het lemma jarenlang medewerker van Ter Pelkwijk op het gemeentehuis van Utrecht was. Dat plaatst de wel zeer positieve toonzetting van deze korte bijdrage in een bepaald licht. Informatie daarover had niet misstaan.

Dat brengt mij bij de appreciatie van de beschrevenen door de auteurs. Terughoudendheid is daarbij het devies van de redactie, maar niet uitsluitend dat. De auteurs worden ook aangemoedigd de betekenis van de betrokkene aan te duiden en de personen te karakteriseren. Daarbij is enerzijds een zekere tendens van de noodzakelijke empathie naar sympathie zichtbaar. Het BWN heeft als geheel een opgewekte en positieve toon: successen, eervolle carrières en sterke, meestal ook wel aangename, persoonlijkheden. Maar anderzijds ontbreken nuances en de keerzijden (mislukkingen, minder aangename karaktertrekken) geenszins en dat heeft tot heel boeiende passages geleid, niet in de laatste plaats als het om gedrag tijdens de bezettingstijd gaat.

Zo slaagt Schöffer, die een reeks voorbeeldige bijdragen afleverde, er in de levensloop van P.N. Menten eerst te karakteriseren als 'stof voor een heuse schelmenroman' om vervolgens diens optreden tijdens de oorlog genadeloos neer te zetten: “Maar dan valt over dit leven wel de zware slagschaduw van de episode 1941 tot 1943, waarin deze 'schelm' afgleed naar collaboratie met de Duitse satrapen in het bezette Polen en zelfs naar het uitleven van ongebreidelde wraak en moordlust.”

Fraai zijn ook de laatste zinnen van A. Lammers over C.J. (Wijnaendts) Francken: “Welbeschouwd is zijn leven een worsteling om erkenning, zelfs roem geweest. Hij moest genoegen nemen met enige aandacht en een gedenksteen boven de deur van zijn huis aan de Plantage.” Deze nieuwe voorzitter van de redactiecommissie is trouwens op vele markten thuis. Hij schreef onder meer een mooi stuk over mijn favoriete auteur van jongensboeken J.B. Schuil en karakteriseerde de schrijfstijl van Jan Mens met de zin: “Hij was en bleef een verteller pur sang en schreef zoals hij ooit biljarttafels en meubelen had gemaakt: schrijverschap als eerlijk ambacht.”

Zo zouden er vele staaltjes van fraai karakteriserend proza te geven zijn. Het maakt het lezen van vooral de slotpassages van de stukken in het BWN tot een vreugde. Wie bovendien genoegen schept in kennis om zich zelfs wille heeft aan het BWN al evenzeer een goede bron. Ik wist bijvoorbeeld niet dat de schepper van Pietje Bell, Chr.F. van Abkoude, die naar Amerika emigreerde, daar vanwege de uitspraak zijn naam veranderde in Winters. En dat bisschop Th.H.J. Zwartkruis mede-auteur was van A book of English and American literature. En tussen Van Abkoude en Zwartkruis bevat deel vier nog 293 korte levensbeschrijvingen vol boeiende gegevens. Kortom, het lezen in het BWN leidt tot geestelijke verrijking. Het is een geschenk voor het leven.