De stomme stemmen van Brabant

GERARD ROOIJAKKERS: Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853

704 blz., geïll., SUN 1994, ƒ69,50

Mede dank zij de reeks Sporen (met klassiekers als Pestdamp en bloesemgeur en Het verlangen naar de kust van Alain Corbin) verwierf de mentaliteitsgeschiedenis vanaf het midden van de jaren tachtig langzaam maar zeker de status van een gevestigde subdiscipline. Een cultuurwetenschappelijke benadering kwam op, waarbij het hoofdaccent op de verbeelding van het verleden, op ritueel en symboliek of op de intellectuele geschiedenis gelegd werd. Tot een duurzame alliantie tussen de nieuwe cultuurgeschiedenis en sociologie, filosofie, psychologie en kunstgeschiedenis is het niet gekomen. Hoewel enkele historisch-sociologische inzichten de cultuurgeschiedenis blijvend hebben verrijkt en de grote auteurs standaardliteratuur zijn geworden, is de historische sociologie - althans onder de historici - voorlopig naar een zijspoor gedrukt. Maar inmiddels zijn er nieuwe allianties gesloten, zoals tussen de culturele antropologie en de geschiedwetenschap. Bovendien hebben enkele van de traditionele historische subdisciplines de bakens verzet. De sociale geschiedenis en de demografie hebben de culturele dimensie van het menselijk handelen onderkend. Nu de cijfers hun magie hebben verloren, keren tekens, beelden en gebaren weer terug.

Tegen deze achtergrond menen de Rotterdamse hoogleraar maatschappijgeschiedenis Willem Frijhoff en de Nijmeegse uitgever Henk Hoeks, het redactieteam van Sporen, dat er ruimte is voor een reeks die op deze nieuwe tendensen inspeelt. Zij staan dan ook aan de wieg van de nieuwe serie Memoria. De studie van Gerard Rooijakkers, waarop hij in november aan de Katholieke Universiteit Nijmegen cum laude promoveerde, bijt in deze reeks het spits af. Rituele repertoires lijkt me het schoolvoorbeeld van de geschiedschrijving uit de jaren negentig. Het boek beweegt zich op het snijvlak van disciplines als mentaliteitsgeschiedenis, religiegeschiedenis, volkskunde en historische gedragswetenschap. Onder dit laatste rangschikt Rooijakkers, in zijn uitvoerige theoretische en historiografische inleidende hoofdstukken, zowel de figuratiesociologie (Elias, Goudsblom) als de historische antropologie (Blok).

Filters

In Rituele repertoires staat de houding van de overheden tegenover de volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant centraal. Het betreft hier, op uiteenlopende bestuursniveaus, zowel de wereldlijke overheden als de kerkelijke gezagsdragers. Rooijakkers gebruikt volkscultuur als een overkoepelend begrip. Hij duidt er een stelsel van groepsculturen (culturele circuits) mee aan, die beschikken over specifieke routines (gedragsrepertoires) en vaste codes (rituelen). Bij het onderzoek naar de wisselwerking tussen culturele circuits en overheden is gekozen voor een lange-termijnperspectief van drie eeuwen. De oprichting van het bisdom 's-Hertogenbosch in 1559 markeert het begin en de heroprichting ervan in 1853 vormt het eindpunt. Door deze lange tijdspanne is het mogelijk het probleem van continuïteit en verandering aan de orde te stellen. De auteur maakt duidelijk dat continuïteit van bepaalde vormen lang niet altijd betekenisverandering hoeft uit te sluiten.

Op inventieve wijze heeft Rooijakkers het algemene probleem bij de bestudering van de volkscultuur overwonnen dat we van gewone mensen uit het verleden doorgaans niets rechtstreeks vernemen. Zij hebben nauwelijks of geen geschreven bronnen nagelaten. Onze kennis over hen ontlenen we meestal aan de geschriften van geletterden. We kijken dus door min of meer elitaire ogen naar het volksleven. Vandaar dat bepaalde filters moeten worden aangebracht om de vertekeningen gewaar te worden.

In de door wereldlijke en kerkelijke elites aangelegde bronnen komen slechts sporen van die andere cultuur voor. In het verleden hadden de onderzoekers hier geen oog voor en werden ze als marginaal of exotisch beschouwd. Door losse opmerkingen te combineren en in hun context te plaatsen krijgen ze een geheel nieuwe betekenis. Rooijakkers interpreteert veel voorbeelden die voorheen in de folkloristische geschiedschrijving hoofdschuddend werden gepresenteerd als een anekdotisch relict uit lang vervlogen tijden. Zo ruimt de auteur een afzonderlijk hoofdstuk in voor de wijze waarop gepoogd werd meer respect af te dwingen voor 'heilige plaatsen' (kerk en kerkhof) en 'heilige tijd' (zon- en feestdagen). Daarnaast krijgt de strijd van de overheden tegen bijvoorbeeld dansen, kwanselbieren en het plaatsen van meibomen aandacht. Ook de zuivering van de gesproken taal (vloeken) en van drukwerk passeert de revue.

Door ze echter te beschouwen als een momentopname in een cultuurproces krijgen de talloze incidentele vermeldingen in de bronnen een onverwachte reikwijdte. Carlo Ginzburg noemde deze werkwijze dan ook treffend de 'omweg als methode'. Le Roy Ladurie's Montaillou is waarschijnlijk wel het bekendste voorbeeld van het opnieuw lezen en interpreteren van één bekende bron. Rooijakkers gebruikt daarentegen een groot en divers aantal bronnen: katholieke visitatieverslagen, acta van classes en kerkeraden, resoluties van wereldlijke overheden, rapporten van volksmissies, literaire bronnen, populair drukwerk (almanakken, 'blauwboekjes' en volksprenten) en voorwerpen, die ook naar het gedrag van mensen verwijzen. Daarnaast heeft hij een karrevracht literatuur verwerkt: een literatuurlijst van 45 bladzijden en ruim 1700 typografisch goed gecamoufleerde voetnoten getuigen daarvan.

Volksgericht

In 1970 verscheen van de hand van professor H.F.J.M. van den Eerenbeemt een studie over criminaliteit in de Meierij van 's-Hertogenbosch omstreeks 1800. Daarin werd gesteld dat baldadigheid en vandalistisch collectief handelen, zoals het ingooien van ruiten, vernielen van eigendommen en mishandelingen, kortom 'primitieve agressieve driften', niet slechts voortvloeiden uit verzet, maar tevens uit 'gebrek aan opvoeding en zedelijke vorming'. In deze studie werd gesproken van pathologische verschijnselen: “Doordat onderwijs voor de gewone man toen vrijwel geheel ontbrak en ook aan zijn persoonlijkheidsvorming in die tijd bij de opvoeding weinig of geen aandacht werd besteed, kwam de Meierijenaar door intellectueel onvermogen en achterlijkheid moeilijk zelf tot aanpak en oplossing van maatschappelijke problemen.”

Rooijakkers maakt in zijn boek overtuigend duidelijk dat uit dit soort uitspraken een elementair onbegrip van de Meierijse plattelandscultuur spreekt. In deze samenleving was collectief geweld namelijk een weloverwogen en effectief ritueel medium dat werd ingezet om concrete gemeenschappelijke doelen te bereiken. De volksgerichten of charivari's waren een sanctie op deviant gedrag. Als er bijvoorbeeld sprake was van echtelijke twisten of overspel grepen de vrijgezelle jongeren uit een gemeenschap met karakteristieke rituelen in, zoals het ploegtrekken. In dat geval werd een echtgenoot die zijn vrouw slecht behandelde door buurtgenoten gedwongen zijn eigen erf om te ploegen. De vorm en inhoud waren in veel gevallen identiek en alles had een duidelijke symbolische betekenis. Een platgetreden erf was een symbool van harmonie. Nog jaren nadat het volksgericht had plaatsgevonden was de vingerwijzing voor elke passant zichtbaar.

Karakteristiek bij de vele vormen van eigenrichting was dat, als de wereldlijke overheid een onderzoek instelde, niemand iets gezien of gehoord had of dat het zo donker was dat men niemand had herkend. Door buitenstaanders werd deze gedragscode veelal niet begrepen en werd het geweld afgedaan als 'primitief' of 'irrationeel'.

Schipperen

Het dagelijks leven in oostelijk Noord-Brabant wordt in Rituele repertoires vooral beschreven als een voortdurend schipperen tussen de voorgeschreven orde en de geleefde praktijk. Een hoofdrol was vaak weggelegd voor katholieke priesters en calvinistische predikanten en drossaards. Doordat Rooijakkers de eenzijdigheid van de door hen aangelegde bronnen zo veel mogelijk weet te neutraliseren en van hun normatieve lading te ontdoen, ontstaat een bijna revolutionair nieuw zicht op het Brabantse verleden.

In 1559, de beginperiode van het onderzoek, behoorde de Meierij, als territorium van het oude Bourgondische hertogdom, nog tot het katholieke contrareformatorische Spaans-Habsburgse rijk. Na de verovering van Den Bosch in 1629 en de vrede van Munster in 1648 begon een periode van calvinisering die de Oostbrabantse samenleving niet onberoerd heeft gelaten. Deze zogenoemde Generaliteitsperiode is in de klassieke historische literatuur van oudsher in sombere tinten geschetst als een tijd van knechting en uitbuiting van een gekoloniseerd wingewest. Met zijn historisch-antropologische benadering maakt Gerard Rooijakkers duidelijk dat deze beeldvorming radicale bijstelling behoeft. Er was in de Meierij vanaf 1680 sprake van een toenemende omgangsoecumene tussen katholieken en protestanten. Het calviniseringsoffensief mislukte grotendeels, maar had ontegenzeglijk invloed op het sociaal-culturele leven. Het katholieke parochieleven ging door, officieel achter gesloten deuren, maar in de maatschappelijke praktijk relatief openbaar en ongestoord.

Tijdens de Bataafse Republiek en in de Franse Tijd werden de confessionele confrontaties heftiger, met name ten tijde van de naasting van de oude parochiekerken door de katholieken. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd systematisch voortgebouwd op de contrareformatorische idealen en voorschriften uit de zeventiende eeuw, waarbij de katholieke kerk nieuwe pastorale en devotionele vormen ontwikkelde.

Uit onverwachte hoek wordt, met andere woorden, aangetoond dat de wortels van de maatschappelijke emancipatie der Meierijse katholieken, resulterend in een verzuilde samenleving van ongeveer 1890 tot 1960, diep in de achttiende eeuw liggen.